Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

80

verhalen uit het leven van Sokrates, van Baco of Spinoza, had gehoord, zich op dien grond voor een kenner der wijsbegeerte, of zelfs voor een wijsgeer uitgaf? En toch zijn er tal van christenen, die op zulk een „filosoof" gelijken.

Is het te verwonderen, dat een groot deel der zich noemende christenen, — in den glans van hun kuituur stralend, — innerlijk, naar hun geestelijke natuur, ruwe beesten blijven? Wat blijft er over van de menschelijkheid, wanneer de mensch niet gelooft aan het rijk Gods op aarde ? Wanneer hij zich niet wil bemoeien om weer het beeld Gods te dragen en te staan naar de metamorfose van den diermensch tot kind van den hemelschen Vader ? Hoe kunnen wij de noodlottige zedelijke verdierlijking, die het begeleidverschijnsel, en soms ook het gevolg, van iedere hoogopstrevende kuituur is, ontgaan, wanneer wij ons niet laten doordringen door den geest van het evangelie, als zijnde de grondslag des levens?

Een van de jammerlijkste dwalingen van den modernen mensch is de ijdele tevredenheid met zijn eigen zedelijke gesteldheid. Het heele moderne menschdom is met een geest van Farizeïsme bezield.

Ge hoort overal de taal van den Farizeër der gelijkenis: „o God, ik dank u, dat ik niet ben gelijk de andere menschen." En de mensch heeft het niet moeilijk zich tot dezen graad van eigengerechtigheid op te werken, omdat hij in deze maatschappij heel licht een stel menschen kan vinden, die geestelijk nog grooter wangedrochten zijn dan hijzelf.

Maar laat hem nu eens gaan staan voor het zedelijk-majestueuze beeld van den grooten leeraar, den koning in het rijk van liefde en waarheid, — hoe snel zal dan het hooge gevoel verschrompelen. Hoe duidelijk zal dan de ruwheid van onze instJnkten in het licht treden — ook de laagheid van onze z.g. idealen, de erbarmelijke leegte en dwaasheid van ons leven!

Sluiten