Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

91

Hiermede daalde de Gods-idee tot den allerlaagsten trap. Er was voor de menschen geen inspanning van zedelijke kracht meer noodig om zich te verheffen tot de kennis der Godheid. De goden waren aan dezelfde hartstochten onderworpen als de menschen.

Xenophanes, uit Kolophon, is er zelfs diep verontwaardigd over, dat elk volk zich zijn speciale goden schept naar het eigene beeld, en hij spot er mee op deze wijze: „Bij de Thraciërs hebben de goden blonde haren en blauwe oogen, en bij de Aethiopiers hebben ze zwart haar en een stompneus 1 — Wanneer de ossen, leeuwen en paarden teekenen en beeldhouwen konden, zouden ze de goden precies zoo afbeelden als zijzelf zijn!"

Zulk een ruw soort religieus naturalisme leidde vanzelf ook tot een ruwe moraal: de zinnelijkheid wortelde ook hier in den oorsprong en het middelpunt van alle leven, n.1. in de religieuse voorstellingen. De godsdiensten met een zoodanig zinnelijk gehalte bevorderden de lagere passies der menschelijke natuur, in plaats van die te overwinnen. Daar de religie zelve een zekere vergoddelijking van de fysische natuurkrachten was, zoo was de zedewet van dezen godsdienst slechts een sanktie, een erkenning, van de aangeboren, dierlijke, instinkten.

Onder de volken heerschte officieele vijandschap.

De Egyptenaar zag van de hoogte zijner pyramiden met verachting neer op de omliggende landen; de nakomelingen van Abraham, de Hebreërs, beschouwden zichzelf als het uitverkoren volk van Jehova en de heele overige wereld als van God verworpen *); de hoog verlichte Griek noemde iederen

') De echte Hebreërs zijn dit niet. De enghartige nationalistische Joden van het type der Farizeërs zijn veeleer een karikatuur van het ware Israël, dat in universeele liefde de heele wereld omvatte. (Zie Ps. 86:9, 100 : 1 enz. enz.). W.

Sluiten