Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110

materieele behoeften hebben dan deze dieren, onverschillig mogen staan tegenover de dagelijksche nooddruft van ons lichaam. Naar den eisch van het evangelie luisteren, beteekent dat niet: zondigen tegen de natuur, — is dit niet met overdreven gestrengheid tot het onmogelijke verplichten ? Zie, wij baden ons in den gloed der vroolijke zon, — om ons heen waait de aroma der milde velden; en boven ons siddert de mystieke glans der betooverende sterren. Zou het misdaad zijn zich in bewondering aan die uitstroomende schoonheid der natuur over te geven, en de door haar ons toegeworpen schatten des levens te waardeeren ? Waartoe is dan dat alles geschapen, waarom zijn deze instinkten ons ingeplant?

Op deze lange reeks vragen is slechts één antwoord: alle deze argumenten zijn slagen in de blauwe lucht, — zij treffen niet het evangelie, maar het leege niets.

Want vooreerst is, voor wie het evangelie onbevangen leest, duidelijk, dat er onderscheid gemaakt wordt tusschen het rijk Gods en het leven na den dood.

Wanneer Jezus spreekt over het lot der rechtvaardigen na den dood, luidt het: „Beërft het koninkrijk, dat voor u weggelegd is van de grondlegging der wereld." Hieruit volgt, dat het hemelrijk een reeds bestaande heerlijkheid is

Het rijk Gods, waarvan sprake is in de gelijkenissen en in het gebed des Heeren, openbaart zich op aarde en ontwikkelt zich naar een verre toekomst.

Wij bidden: Uw koninkrijk kome.

Niet: Het worde geschapen 1 — of: Het verschijne in voltooiing 1 — maar: het kome l

•) Over deze opvatting zou nog wel een uitlegkundig woordje gewisseld kunnen worden. Het woord „weggelegd" heeft veeleer de beteekenis van planmatige bestemming. In ieder geval is de tegenstelling, die Petrow hier beschrijft, geen fantasie. Er wordt in het evangelie een onderscheiding gemaakt tusschen het bovenwereldlijke hemelrijk en net rijk Gods in wording op aarde. w-

Sluiten