Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

121

De tollenaar was een heel ander mensch, behoorde bij een heel ander menschensoort.

Zie hem daar gaan naar den tempel. Op de vraag: Wat gaat ge daar doen ? — zou hij geen duidelijk antwoord kunnen geven. Daar werken in zijn ziel geheimzinnige, onweerstaanbare, krachten, van angst en hoop, van vernietiging en opbouw.

Hij voelt zich vreemd in den tempel en hij begrijpt niet wat hem den moed geeft om te doen hetgeen hij tevoren als dwaasheid veroordeelde.

Godsdienst scheen hem een dood, verouderd, ding, een vijand van het „leven".

Maar nu is er iets groots, iets geweldigs, met hem gebeurd. Er is nu voor hem een onwerkelijkheid werkelijkheid geworden .... Godl

Uit zijn jeugd herinnert hij zich ook dagen, dat God hem nabij was. In dezen tempel is hem niet alles vreemd. Hij ziet de plaats, bij den pilaar, waar hij met zijn ouders stond op den feestdag, en voor het eerst opgetogen luisterde naar de priesterlijke bazuin. Hij weet nog precies hoe streng zijn vader toekeek, of hij meedeed met het gebed, en hij gedenkt de vreemde ontroering, die zich meester maakte van zijn ziel, toen hij het, eerst murmelend, daarna aanzwellend, tenslotte bruisend, psalmgezang hoorde. Hij vond alles heilig en wonderlijk. Hij vréésde, — en toch had hij een gevoel van vertrouwelijkheid 1

Met het enthousiasme van zijn kinderlijk rechtvaardigheidsgevoel had hij de aanklacht der vurige profeten ondersteund, wanneer zij toornden tegen den afval en wetteloosheid.

Hij weet nog, dat de begeerte in hem opwaakte ook eens in de kracht van een Elia of van een Jesaja te mogen optreden voor het volk.

— En wat was er van dat alles terecht gekomen?

Sluiten