Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

138

de tafel van een Farizeër, of tegenwoordig was bij een eenvoudige bruiloft te Kana, of bij het karig maaltje van de Galileesche visschers deelde.

In de ruwe, zon-gebrande, woestijn aan de andere zijde van de Jordaan, aan de smaragd-groene oevers van de zee van Tiberias, midden in den lawaaienden menschenhoop bij den intocht in Jeruzalem, onder den last van het kruis op den lijdensweg, en ook op Golgotha zelf, is het hart van Jezus altijd weer op dezelfde wijze ontroerd en vervuld van grenzelooze, onbekommerde, liefde voor de menschen, — van bekommernis om de verstoktheid hunner harten, van de zekerheid, dat het evangelie overwinnen zal.

Dit alles is vrijwel onafhankelijk van de uitwendige omstandigheden, van vorm, levenstoon en kuituur, — hoewel deze zéér belangrijke faktoren in de samenleving zijn.

Terwijl het evangelie den mensch roept in dienst van de hoogere, geestelijke, dingen, leidt het ons op een niveau boven de materieele omgeving.

Maar nergens leert het ons de stoffelijke of tijdelijke goederen te verachten.

Nooit wordt het gebruik dezer goederen als een vergrijp veroordeeld.

Hij, die de schoonheid van de leliën des velds roemde, en die in het allerzwaarste moment van zijn zielesmart terugtrok onder de schaduwen van de cederen en olijven van Gethsemané, om in deze stille natuur de nabijheid van zijn God te ervaren, — heeft zeker niet het genot in natuurschoonheid kunnen verbieden.

Hij veroordeelt niet het verstandig en doelmatig gebruik van de gaven der schepping.

Hij onderging met teedere waardeering de zalving met kostelijken nardus door Maria, en zeide: „Alwaar dit evangelie gepredikt zal worden in de geheele wereld, daar zal ook tot

Sluiten