Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE MAAIERS

De maaiers komen in de blauwe kielen Met de vroegzon vreugdloos uit het heideland, Met loome lijven en verslapen zielen, Met de hooge zeisen aan den gordelband.

De gele haver zal geen avond vieren

Maar gesikkeld liggen in het late licht;

De moede maaiers als gedreven dieren

Gaan zich woordloos wijden aan hun zwaren plicht.

En ze maaiemeien en ze zwaaiezweien Als witmolenwieken door het volle graan; En het ritselruizelt aan hun struische zijên Of windvlagen wisslings langs hen nederslaan.

Zoo vroeg in de koelte en in groeiende zoelte Gaan ze felgebogen door den flikkerdag, Tot de zeise zwijgt en het goudgewoel te Verstarren ligt van zijn laatsten slag.

En de'maaiers trekken in hun blauwe kielen Met de avondstarre naar het heideland, Met versloopte lijven en versloerde zielen, Met de hooge zeisen aan den gordelband.

78

Sluiten