Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III

O groote ruischelaar, Snelwiekig wonder; Hoe wordt de kranke dag Zevenmaal gezonder Alsg'uit de wolken scheert, Als g'aan de vlakte veert, Als ge de golven keert Over en onder.

O groote ruischelaar, Breedvlerkig wezen, Nauw staat de hemel vol Regen gerezen, Of met een schuddeling Van uw gezwaaiden zwing Zwiept gij de zonnesching Over de vreezen.

Wolkenrot, wintergod, Waar werpt g'uw anker? Zeeën zijn veel te klein, Bergen te wankel, 't Sterrenheir stilt u niet, Nachtdonker drilt u niet, Maanvreê vermildt u niet, Bandlooze zwanker!

Doch zijn uw wegen ook Wild, woest en woedig, Ergens in 't ongezien Wordt ge vroom en vroedig. Splijt u een sterker wil, Siddert uw albedil, Staat gij gebogen stil, Eindloos ootmoedig.

8a

Sluiten