Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOMER-MORGEN IN DEN JARDIN DU LUXEMBOURG (fragment)

„Hangt niet ons' Liefde door dien frisschen tuin? Vonkelt zij niet in 't waai'rend water-waas, dat sproeit het glanzend gras, en dóór dat gaas, verstuivend in den wind, glijdt zij niet schuin

in ijle regenbogen en wuift op en wiekt een kchtend-groene boomgrot binnen, waar wazig-druiveblauwe duiven minnen? Die rukken hunne snavels, dan vliegt op

't duikende duifje en klapwiekt blanker wiek

de doffer, 't klaar geblaSrte slaand!... Zie, bloesems

vallen voor uwen voet 1 o, in ons' boezems

is 't schoon gebeure' een tintlende muziek!

Ligt niet die Liefde als een zonne-damp over 't smaragd gazon, waar zwart-fluweelen merels de perels dauw het gras af stelen, gloed en vocht vindend in dien weel'gen kamp?

Alle bosschages houden heerlijk wijd hun blaren-volten in de lucht! beneden ligt warmte-bevend om hun voet gegleden een vloed van gloênde bloeme', o! teederheid!

En het geboomte steekt zijn kruinen in elkanders kruin, dat duizend blaren strijken elkaar, 'wijl op den wind de takken wijken streelend dooreen in zwijmelende min..."

1903

88

Sluiten