Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE REIS DOOR DEN NACHT

Ver was de reis door den nacht,

Den dicht-besneeuwden nacht, De trein doortrok met donker gezang de winterlijke bergen

Nu, in den duisteren na-nacht,

Blind in de spelonk van het rijtuig, Hooren we enkel het bellen-gerinkelvan'tneder-dravende

[span.

Gedoken in 't voort-ijlend hokje, Zij, mijn Lief, en ik, en het kind, Het in zoelen slaap verzonken kind in 'n witwollen doekje

[gewikkeld,

Hooren we enkel 't gerinkel der bellen Over de ruischlooze wegen der nacht In het zuidelijk bergland langs 't zuiver-wijd fluisterende

[meer—

En het is als een heuglijke vlucht, Stil en snel bij het bellen-gerinkel — Rein is de nachtlucht en reukig van bloemen, ongezien—

En 'k denk aan Jozef en Maria met het Kind Vluchtende door den winternacht, Den kouden, zoetrokigen nacht van het Oosten...

Lugano, 1906.

91

Sluiten