Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

DE INGMARSENS. t

Er was eens een jonge man, die zijn akker ploegde op een zomermorgen. De zon scheen vriendelijk, 't gras was nat van den dauw, en de lucht was zóó frisch, dat 't niet met woorden te beschrijven is. De paarden waren als in een roes door de heerlijke morgenlucht en trokken den ploeg, alsof 't een spel was. Zij liepen heel anders dan gewoonlijk, zoodat de man nu en dan hard moest loopen om ze bij te houden.

De aarde, die door den ploeg naar boven kwam, lag daar zwartbruin en glanzende van vocht en vettigheid, en hij, die achter den ploeg liep, verheugde er zich op, dat hij daar spoedig rogge op zou kunnen zaaien. En hij dacht: „Hoe kan het toch zijn, dat ik me vaak zooveel bekommeringen schep en het leven zoo moeilijk vind? Is er iets meer noodig dan zonneschijn en zulk heerlijk weer, om zoo gelukkig te zijn als een kind van God in den hemel maar wezen kan?"

Hij stond in een lang tamelijk breed dal, dat geruit was door een massa gele en geelgroene zaadvelden, met daaromheen afgemaaide klaverwallen, bloeiende aardappellanden en kleine blauwgebloemde vlasakkers, waarover een oneindig aantal witte vlindertjes zweefden. En als om het geheel te volmaken, verhief zich midden in het dal een majestueuze, oude boerenhoeve met vele grijze bijgebouwen en groot, roodgeschilderd woonhuis. Daar stonden twee hooge, wonderlijk ineengroeiende pereboomen bij den gevel, een paar jonge berken bij de poort, groote stapels brandhout op het groene grasveld en een paar geweldig groote hoopen stroo bij de schuur, 't Was even mooi die hoeve te zien staan tusschen de lage akkers, als een groot vaartuig met masten en zeilen op de wijde zee te zien drijven.

„En wat een hoeve heb je!" dacht de man achter den ploeg. „Daar zijn veel goedgetimmerde vertrekken, een flinke veestapel

Jeruzalem. 1

Sluiten