Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitstellen. Zie je, ik dacht, dat het er niet zooveel op aankwam, nu we toch onder de geboden stonden; maar dat was zeker een ouderwetsch idee."

„Hadt je maar een van onze familie genomen, die had het wel goedgevonden," zegt Vader.

„Ach ja," antwoord ik. „Ik merkte wel, dat Brita dat uitstel niet prettig vond, maar zie je, we hadden immers in 't voorjaar begrafenis gehad, en we wilden geen geld uit de bank halen."

„Ja, 't was heel goed, dat je wachtte," zegt Vader.

„Maar ik was al bang, dat Brita er ontevreden over zou zijn, dat ze het doopmaal vóór de bruiloft zou moeten vieren."

„Allereerst moet een mensch toch zien, of hij de bruiloft betalen kan."

„Maar eiken dag werd Brita stiller en wonderlijker, en ik verbaasde er me dikwijls over, wat ze toch had. Ik dacht, dat ze naar huis verlangde: ze had altijd veel van haar ouders en haar thuis gehouden. „Dat gaat wel beter," dacht ik, „als ze maar eerst wat gewend is. Ze zal 't eindelijk toch wel prettig vinden op Ingmarshoeve." Ik wachtte nog een poosje, maar toen vroeg ik Moeder, waarom Brita zoo bleek was en zoo wild keek. Moeder zei, dat het kwam, omdat ze een kind wachtte, en dat ze wel weer gewoon zou worden, als dat er maar eerst was. Ik had nog zoo'n idee, dat Brita er over tobde dat ik de bruiloft had uitgesteld; maar ik zag er tegen op 't haar te vragen. Je weet wel, Vader, dat je altijd gezegd hebt, dat 't huis rood geverfd moest worden als ik trouwde. En daar had ik heelemaal geen geld voor, dat jaar. „Alles wordt volgend jaar wel goed," dacht ik."

De man achter den ploeg liep zacht te prevelen. Hij was zóó geheel in zijn gedachten verdiept, dat 't hem was, alsof hij 't gezicht van zijn vader voor zich zag.

„Ik mag nu alles eens duidelijk aan Vader zeggen," dacht hij, „zoodat hij me een goeden raad geven kan."

„Zoo ging de heele winter voorbij, en dikwijls dacht ik dat, als Brita zoo ongelukkig bleef, ik haar liever had willen afstaan en weer naar Bergwoud terugzenden. Maar nu was 't ook daar te laat voor. En zoo werd het eindelijk Mei. Toen merkten we op een avond, dat ze stil weggeloopen was. We zochten den heelen nacht en eindelijk tegen den morgen vond een van de meiden haar."

En nu valt 't me zwaar verder te vertellen en ik zwijg. En Vader vraagt: „In Godsnaam! Ze is toch niet dood!" —

„Neen, zij niet," zeg ik, en Vader hoort hoe mijn stem beeft. „Was 't kind geboren?" zegt Vader.

„Ja," antwoord ik, „en ze had het gesmoord. Het lag dood naast haar."

5

Sluiten