Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet moeilijk te raden, wat hij van zijn ambacht was, want hij had een grooten kwast met roode verf op den schouder, en zat van 't hoofd tot de voeten vol verfvlekken. Hij keek vaak om zich heen, zooals reizende roodververs doen, om een huis te vinden, dat nog niet geschilderd was, of een waarvan de verf was verbleekt of afgeregend. Nu en dan meende hij er een te zien, dat hem geschikt voorkwam, maar hij kon geen besluit nemen. Eindelijk kwam hy op een heuveltje en kreeg de Ingmarshoeve in 't oog, die breed en machtig op den bodem van het dal lag.

„Goede hemel!" zei hij hardop in zijn vreugd en bleef staan op den weg. „Dat woonhuis is in geen honderd jaar geverfd! 't Is heelemaal zwart van ouderdom en de bijgebouwen hebben nog nooit een verfkwast gezien. „En wat een massa gebouwen!" barstte hij uit. „Hier heb ik werk genoeg tot den herfst!"

Hij had nog niet ver geloopen, toen hij een man gewaar werd, die liep te ploegen.

„Ziezoo, daar is een boer, die hier woont en de streek kent," dacht de roodverver, „hij kan my vertellen wat ik van die hoeve weten moet."

Hij ging den weg af, liep over den akker en vroeg Ingmar, wat dat voor een groote hoeve was, en of hij dacht, dat ze hem daar zouden willen laten verven.

Een schok ging Ingmar door de leden, en hij keek den man aan, alsof hij een boschduivel was.

„God! 't Is een roodverver," dacht hij, „en die komt nu."

Hij was zóó verbluft, dat hij geen woord uitbrengen kon.

Hij herinnerde zich ook duidelijk, dat zijn vader, telkens als iemand hem gezegd had: „Je moest toch dat groote leelijke huis van jou eens laten verven, Vader Ingmar," geantwoord had, dat hij het doen zou in 't jaar dat Ingmar trouwde.

De roodverver herhaalde zijn vraag twee keer, maar Ingmar stond nog altijd stil, alsof hij hem niet verstaan had.

„Zijn ze nu klaargekomen met hun antwoord daar in den hemel?" vroeg hij zich verbaasd af.

„En is dit nu een boodschap van Vader, dat hij wil, dat ik van 't jaar trouwen zal?"

De gedachte trof hem zoo, dat hij opeens den man beloofde, dat hij hem het werk zou geven. En toen ging hij weer achter zijn ploeg, diep bewogen en bijna gelukkig.

„Nu zul je zien, dat het zoo moeilijk niet is," zei hij tegen zich zelf, „nu je zeker weet, dat Vader het wil."

II.

Een paar weken later stond Ingmar een stuk tuig te poetsen. Hij zag er ontevreden uit en het werk vlotte niet.

9

Sluiten