Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Iaat dragen. Al wil haar vader haar verloochenen om 't jou naar den zin te maken, en geld van je te kunnen leenen — j ij moet toch Gods wegen gaan, Kleine Ingmar Ingmarsen."

„Ik geloof zeker, dat Vader over me waakt in deze geschiedenis," dacht hij. „Hij heeft zeker Brita's vader hierheengestuurd, om mij te toonen hoe leelijk 't is alle schuld op haar te gooien, die stakker! Ik geloof, dat hij wel gezien heeft, dat ik de laatste dagen niet veel lust had om naar de stad te gaan."

Ingmar stond op, schonk cognac in de koffie, hief het kopje op en dronk den afgevaardigde toe. „Ik dank u, omdat u vandaag hiergekomen zijt," zei hy.

III.

Een heelen morgen had Ingmar gewerkt aan de berkeboomen bij de poort. Hij had er eerst palen gezet. Toen had hij de toppen van de berken genomen en naar elkaar toegebogen, zoodat ze een boog vormden. De boomen waren onwillig, telkens rukten zij zich los en richtten zich snel overeind.

„Wat moet dat worden?" vroeg Moeder Marta.

„Mij dunkt, ze moesten nu eens een poosje zoo groeien," zei Ingmar.

't Werd tijd voor de middagrust, en toen de maaltijd afgeloopen was, ging het werkvolk naar de plaats en legde zich daar te slapen. Ingmar Ingmarsen sliep ook, maar hij lag op een breed bed in 't kleine kamertje naast de groote kamer. De eenige, die niet sliep, was de huismoeder, die in de groote kamer zat te naaien. De deur naar de gang werd zacht opengedaan en een oud vrouwtje kwam binnen. Zij droeg twee groote manden aan een juk om den hals. Ze groette stil, ging op een stoel bij de deur zitten en nam zonder iets te zeggen de deksels van de manden. De een was vol beschuiten en krakelingen, de andere vol versche broodjes. De huismoeder kwam dadelijk naar haar toe om te koopen. Anders was ze zuinig genoeg, maar ze kon niet laten wat lekkers bij de koffie te nemen.

Terwijl ze broodjes uitzocht, begon ze met het vrouwtje te praten. En die had altijd wel wat te vertellen, zooals de meeste kooplieden, die van de eene hoeve naar de andere gaan en veel menschen kennen.

„Je bent een verstandig mensch, Kaïsa, waar je op vertrouwen kunt," zei Moeder Marta.

„Ach ja," zei de andere, „als ik niet kon zwijgen over wat ik hoorde, zouden veel menschen elkaar bij de haren krijgen."

„Maar soms verzwijg je al te veel, Kaïsa."

De oude vrouw zag op en begreep wat Moeder Marta meende.

„Ja, God vergeve 't me," zei ze en kreeg de tranen in de oogen.

12

Sluiten