Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik heb met de vrouw van den afgevaardigde op Bergwoud gesproken, maar ik had naar u moeten gaan."

„Ja, zoo! Sprak je met de vrouw van den afgevaardigde van Bergwoud?"

Er lag een grenzenlooze verachting in den toon, waarmee zij dien langen zin uitsprak.

Ingmar Ingmarsen werd met een schok wakker, doordat de deur naar de groote kamer zachtjes openging. Er kwam toch niemand binnen, maar de deur bleef op een kier staan. Hij wist niet of die vanzelf was opengegaan, of dat iemand ze had opengezet. Slaperig als hij was, bleef hij stil liggen en hoorde zoo, wat er gesproken werd in de groote kamer.

„Zeg mij nu eens, Kaïsa, hoe wist je dat Brita niet van Ingmar hield?" vroeg Móeder Marta.

„Ja, dat hoorde je immers al dadelijk. De menschen zeiden, dat haar ouders haar gedwongen hadden," antwoordde de oude vrouw ontwijkend.

„Spreek nu vrij uit, Kaïsa, want als ik je vraag, hoef je er niet tegen op te zien de waarheid te zeggen. Ik geloof, dat ik wel verdragen kan te hooren wat je te vertellen hebt?"

„Ik zal je dan zeggen,... telkens als ik in dien tijd op Bergwoud kwam, scheen 't me toe, dat ze er behuild uitzag. Op een dag, dat zij en ik alleen in de keuken waren, zei ik tegen haar: „Je doet een mooi huwelijk, Brita." Ze keek me aan, alsof ze dacht, dat ik haar voor den gek hield. En toen zei ze: „Ja, dat mag je wel zeggen, Kaïsa: mooi is het."

„Ze zei dat zóó, dat 't me was alsof ik Ingmar Ingmarsen voor me zag. En hij is immers niet mooi. Maar daar had ik nooit over gedacht, want ik had altijd groote achting voor de Ingmarsens. Maar nu kon ik niet laten even te glimlachen. Toen keek Brita me aan en zei nog eens: „Ja, mooi is het!" keerde zich om en liep de kamer in, en daar hoorde ik haar in schreien uitbarsten.

„Maar toen ik heenging, dacht ik: „Dat komt ook wel terecht. Alles komt terecht voor de Ingmarsens." Ik begreep de ouders best. Als ik een dochter had en Ingmar Ingmarsen vroeg haar, zou ik ook geen rust hebben, eer ze „ja" gezegd had."

Ingmar lag nog steeds op bed te luisteren.

„Dat doet Moeder met opzet." dacht hij. „Zij is verbaasd over de reis naar de stad, die ik morgen maken wil. Moeder meent, dat ik er over denk om er heen te rijden en Brita te halen. Moeder weet niet, dat ik zoo'n stumper ben, dat ik dat niet kan."

„Den volgenden keer dat ik Brita zag," ging de oude vrouw voort, „was ze al hier op Ingmarshoeve. Ik kon haar niet dadelijk vragen hoe ze 't had, want de kamer was vol menschen, maar

13

Sluiten