Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Blaffende honden bijten niet," zei ik.

„Iets zal ik hem toch doen," zei ze, „eerder heb ik geen rust."

„Je weet niet wat je zegt," antwoordde ik; „dan zou je juist nooit meer rust hebben."

Toen begon ze opeens bitter te schreien. Ze werd zacht en zei, dat ze 't zóó zwaar had, als die slechte gedachten over haar kwamen. Ik bracht haar thuis en ze beloofde me geen kwaad te doen, als ik maar zweeg.

„Ik heb er veel over gedacht, aan wie ik dit alles zeggen moest," ging Kaïsa voort. „Ik vond het zoo moeilijk naar zulke groote lui te gaan als jelui.."

Daar luidde de bel op het dak van den stal, als teeken, dat de middagrust voorbij was.

Moeder Marta viel Kaïsa haastig in de rede.

„Luister eens, Kaïsa, geloof je, dat het nog ooit weer goed kan worden tusschen Ingmar en Brita?"

„Wat?" vroeg de oude verbaasd.

„Ik meen, als ze nu niet naar Amerika ging, geloof je dat ze hem nemen zou?"

„Dat geloof ik niet! neen, dat geloof ik nooit!" „Ze zou zeker „neen" zeggen!" „Ja, dat deed ze zeker!"

Ingmar zat daar binnen op 't bed met de beenen over den kant.

„Daar kreeg je net wat je hebben moest, lummel! Nu ga ik morgen naar stad!" zei hij en sloeg met de gebalde vuist tegen de beddeplank. „Neen maar! hoe kan Moeder nu meenen, dat ze me thuis kan houden door me te toonen, dat Brita niet van me houdt."

Hij sloeg telkens weer met de vuist tegen de beddeplank, alsof hij in gedachten tegen iets hards aanbonsde, dat hem tegenhield.

„Nu zal ik dat zaakje toch nog eens overdoen. Wij Ingmarsens, beginnen van voren af aan, als iets verkeerd gaat. Geen flinke kerel kan 't er bij laten, als een vrouw gek wordt uit nijdigheid tegen hem."

Nooit had hij zoo diep gevoeld welk een nederlaag hij geleden had, en hij verlangde vurig op een of andere manier in zijn eer hersteld te worden.

,,'t Zou toch al te mal zijn. als ik Brita niet kon leeren op Ingmarshoeve gelukkig te zijn," zei hij.

Hij gaf de beddeplank een laatsten slag, voor hij opstond om aan 't werk te gaan.

,,'k Geloof zeker, dat het Groote Ingmar is, die Kaïsa hierheen heeft gestuurd om te maken, dat ik morgen naar stad zou gaan."

16

Sluiten