Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.

Ingmar Ingmarsen was in de stad gekomen en ging langzaam naar de gevangenis, die zich op een prachtig punt, op een heuvel boven het stadsplantsoen verhief. Hij zag niet om zich heen, maar liep met de zware oogleden neergeslagen, en sleepte zich met zooveel moeite voort, alsof hij een stokoude man was. Hij had zijn mooie daagsche kleeren afgelegd en droeg een zwart lakensch pak en een fijn gesteven overhemd, dat al wat verkreukeld was. Hij was plechtig gestemd, maar toch angstig en onwillig.

Ingmar kwam op het met grint belegde plein voor de gevangenis en zag daar een constabel. Hij vroeg hem of niet vandaag Brita Eriksdochter vrijkwam.

„Ja, ik geloof, dat er vandaag een vrijkomt," zei de constabel.

„Een, die voor kindermoord gezeten heeft," zei Ingmar.

„Ja juist, zij komt voor den middag vrij."

Ingmar ging niet verder, maar leunde tegen een boom en bleef daar staan wachten. Geen oogenblik wendde hij de oogen van den ingang af. „Daar zal wel eens iemand zijn binnengegaan, die 't niet al te goed had," dacht hij. „Ik zal niet te veel zeggen," zei hij toen, „maar 't kan zijn, dat menigeen, die daar binnenging, 't minder zwaar had dan ik, die hier buiten sta."

„Ja, ja, nu heeft Groote Ingmar me hierheen gebracht om mijn bruid uit de gevangenis te halen," ging hij voort. „Maar ik kan niet zeggen, dat Kleine Ingmar daar tevreden mee is. Hij zou liever willen, dat ze onder een eerepoort stond, en dat haar moeder naast haar zou staan om haar aan den bruidegom over te geven. En dan moesten ze naar de kerk rijden met een grooten bruidsstoet. En ze zou mooi als een bruid gekleed, naast hem moeten zitten en glimlachen onder de bruidskroon."

De poort ging dikwijls open. 't Was eerst een predikant en toen waren 't de vrouw en de dochters van den directeur, die naar de stad gingen. Eindelijk kwam Brita.

Toen de poort openging, voelde Ingmar een steek in 't hart. „Dat is ze," dacht hij. Hij sloeg de oogen weer neer. Hij was als verlamd en bewoog zich niet. Toen hij eindelijk moed vatte en opzag, stond zij op de stoep buiten de poort.

Hij zag, hóe ze daar een oogenblik stilstond. Zij schoof den hoofddoek terug en zag met heldere, onbedekte oogen over 't landschap, dat voor haar lag. De gevangenis lag hoog en zij kon over de stad en de begroeide heuvels heen, de bergen van haar geboortestreek zien.

Toen zag Ingmar haar beven, alsof een onzichtbare macht haar schudde. Ze sloeg de handen voor de oogen en ging op de stoep

Jeruzalem. 2

17

Sluiten