Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze was ontevreden over zichzelf, liep lang zwijgend voort, en dacht er over hoe ze haar woorden terug zou kunnen nemen. - Maar zoo gauw ze iets van dien aard zeggen wilde, werd ze teruggehouden door de gedachte, dat, als hij nog van haar hield, 't zoo ondankbaar zijn zou hem weer af te wijzen. „Kon ik zijn gedachten maar lezen!" dacht ze.

Toen zag Ingmar, dat ze bleef staan en tegen een muur leunde.

„Ik word zoo wonderlijk van al dat leven en al die menschen om me heen." Hij reikte haar zijn hand. Zij nam die, en hand in hand gingen zij door de straten.

„Nu zien we er uit als een paar," dacht Ingmar, maar aldoor liep hij er over te denken, hoe 't gaan zou, als hij thuis kwam, hoe hij door dit alles heen zou komen tegenover zrjn moeder en alle anderen.

Toen zij bij koopman Löfberg kwamen, zei Ingmar, dat zijn paard nu uitgerust was, zoodat ze, als zij er niet tegen had, nog dienzelfden dag de eerstvolgende uitspanningsplaats zouden kunnen bereiken. Toen dacht ze: „Nu is 't tijd om te zeggen, dat je niet wilt. Dank hem nu en zeg, dat je niet wilt."

Ze bad God haar te doen weten, of hij enkel uit barmhartigheid gekomen was. Intusschen trok Ingmar den wagen uit de loods. Die was nieuw geschilderd, de voetenzak glom, en de kussens waren nieuw overtrokken. Voor aan 't zeil zat een klein, half verdorde veldbouquet. Zij bleef staan en bedacht zich, toen ze dien zag; en intusschen ging Ingmar naar den stal, tuigde 't paard op en bracht het naar buiten. Toen zag zij weer zulk een half verdord bouquetje aan 't halstuig, en weer begon ze te gelooven, dat hij wezenlijk van haar hield, en ze meende, dat het beter was niets te zeggen. Anders mocht hij eens denken, dat ze ondankbaar was, en niet voelde hoeveel het was, dat hij haar aanbood.

Ze reden voort, en om aan 't zwijgen een eind te maken, begon ze te vragen naar een en ander thuis. Met iedere vraag, die ze deed, herinnerde ze hem aan iemand, wiens oordeel hij vreesde.

„Wat zullen ze verbaasd zijn, wat zullen ze er om lachen! dacht hij.

Hij gaf haar de kortst mogelijke antwoorden, en telkens weer kwam de gedachte in haar op, dat zij hem moest vragen om te keeren.

„Hij wil me niet hebben! Hij geeft niet om me. Hrj doet het enkel uit barmhartigheid."

Ze hield al spoedig met vragen op. Ze reden de eene mijl na de andere in diep stilzwijgen. Maar toen ze aan de herberg kwamen, stond daar koffie en versch brood voor hen klaar, en

19

Sluiten