Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weer stonden er bloemen op 't koffieblad. Ze begreep, dat hij dat zoo besteld had, toen hij er den vorigen dag langs kwam. Was dat nu alles enkel goedheid en barmhartigheid? Was hij gisteren blij geweest? Had hij eerst vandaag een tegenzin in haar gekregen, toen hij haar uit de gevangenis komen zag? Als hij dat nu morgen vergeten was, zou alles nog wel goed kunnen worden.

Brita was heel zacht geworden door berouw en ootmoed. Ze wou hem niet opnieuw verdriet doen. Zou hij dan niet eindelijk wezenlijk...

Ze bleven dien nacht in de herberg; maar vertrokken vroeg en waren zoo ver, dat ze tegen tien uur de kerk van hun dorp weerzagen. Toen ze er voorbijreden, was de weg, die van de dorpsstraat naar de kerk liep, vol menschen, en de klokken luidden.

„Goeie hemel, 't is Zondag," zei Brita en vouwde onwillekeurig de handen. Ze vergat al het andere voor de gedachte, dat ze zoo graag naar de kerk rijden en God danken zou. Ze wilde het nieuwe leven, dat ze nu beginnen zou, inwijden met een godsdienstoefening in de oude kerk.

„Ik zou zoo graag naar de kerk gaan," zei ze tegen Ingmar. Op dat oogenblik dacht ze er in 't geheel niet aan, dat het hem zwaar kon vallen zich daar met haar te vertoonen; ze voelde niets dan vroomheid en dankbaarheid.

Ingmar was op 't punt van kortaf „neen" te zeggen: hij meende den moed niet te hebben al die nieuwsgierige blikken en scherpe tongen te verdragen. Maar ,,'t moet toch eens gebeuren," dacht hij en reed den kerkweg op, „en dan is 't even erg."

Toen ze het kerkplein opreden, zaten daar een massa menschen, die op 't begin der godsdienstoefening wachtten. Ze zaten op den steenen wal om 't kerkhof en keken naar allen, die aankwamen. Toen ze Ingmar en Brita herkenden, begonnen ze te fluisteren, elkaar aan te stooten en te wijzen. Ingmar zag Brita aan. Ze zat met gevouwen handen, en zag er uit, alsof ze niet wist waar ze was. Zij zag geen mensch, maar Ingmar zag ze des te beter. Sommigen liepen hard achter den wagen aan. 't Verbaasde hem niet, dat ze zoo deden. Ze wisten zeker niet of ze wel goed gezien hadden. Ze konden zeker niet gelooven, dat hij daar naar Gods huis kwam rijden met haar, die zijn kind gesmoord had. „Dit is te veel," dacht hi.i. „Ik houd het niet uit."

„Me dunkt, 't is 't best, dat je maar dadelijk de kerk ingaat, Brita," zei hij, toen hij haar uit den wagen hielp.

„Ja zeker," antwoordde zij. Ze wilde naar de kerk. 't Was haar niet te doen geweest om menschen te zien. Ingmar spande langzaam het paard uit en voerde het. Vele oogen waren op hem gericht, maar niemand sprak hem aan.

20

Sluiten