Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat is Vader. Hij zal wel zorgen, dat het gaat."

Er kwam iemand aan op den boschweg. 't Was Kaïsa, maar zij herkenden haar bijna niet, want ze had het juk en de manden niet bü zich.

„Goeden dag, goeden dag, zeiden ze, en de oude vrouw kwam naar hen toe en drukte ze de handen.

„Ja, nu zit jelui hier, terwijl alle jongens op Ingmarshoeve er op uit zijn om jelui te zoeken."

„Jelui hadt zoo'n haast om uit de kerk te komen," ging de oude voort, „dat ik jelui daar niet bereiken kon. Maar ik wilde Brita toch goedendag zeggen, en toen ging ik naar Ingmarshoeve. Gelijk met mij kwam de proost, en hij was de groote kamer al in, voor ik hem nog groeten kon. Hij riep Moeder Marta al toe, voor hij nog tijd gehad had haar 'n hand te geven: „Nu, Moeder Marta, zul je plezier aan Ingmar beleven. Nu kun je zien, dat hij van den ouden stam is. Nu moeten wij hem, Groote Ingmar" noemen.

Moeder Marta zegt nooit veel. Nu bleef ze maar staan en knoopte haar hoofddoek wat vaster.

„Wat zegt mijnheer de proost?" zei ze eindelijk.

„Hij heeft Brita naar huis gehaald," zei de proost, „en, geloof me, daarvoor zal hij geëerd worden, zoolang hy leeft."

„Och neen, och neen!" zei de oude.

„Ik was haast ih de war geraakt, toen ik ze in de kerk zag zitten, 't Was een betere preek, dan ik houden kan. Ingmar zal ons allen een voorbeeld worden, zooals zijn Vader was."

„De proost spreekt over treurig nieuws," zei Moeder Marta.

„Is hij dan nog niet thuis gekomen?"

„Neen, hy is niet thuis. Hy is misschien naar Bergwoud gereden."

„Zei Moeder dat?" barstte Ingmar uit.

„Ja, zeker. En terwijl wij op jelui zaten te wachten, heeft ze den een na den ander uitgezonden om jelui te zoeken."

Kaïsa bleef nog doorpraten. Maar Ingmar hoorde niet meer wat'ze zei. In gedachten was hij ver weg.

„En dan kom ik in de groote kamer," dacht hij, „waar Vader zit met al de oude Ingmarsens.

„Goeden dag, Groote Ingmar Ingmarsen," zegt Vader en komt mij tegemoet.

„Goeden dag, Vader, en ik dank je voor je hulp."

„Ja, nu ben je goed getrouwd," zegt Vader. „En nu komt al 't andere vanzelf."

„Nooit was ik zoover gekomen, als je mij niet geholpen hadt," zeg ik.

„Daar was geen kunst aan," zegt Vader. „Wij Ingmarsens, hoeven alleen maar Gods wegen te gaan."

27

Sluiten