Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE GEDEELTE.

BIJ DEN SCHOOLMEESTER.

In de gemeente, waar de oude Ingmarsens woonden, kon nog in 't begin van 1880 niemand zich voorstellen, dat ze ooit een nieuw geloof zouden kunnen aannemen, of dat een nieuwe soort van godsdienstoefening in hun midden zou kunnen plaats hebben. Wel had men er van gehoord, dat hier en daar, in andere gemeenten van Dalecarlië, secten ontstonden, en hoe daar menschen zich in beken en meren lieten doopen met den nieuwen doop der baptisten; maar men lachte om dat alles en zeide: „Zoo iets kan geschikt zijn voor de menschen in Appelbo of in Gagnef; maar dat komt nooit in onze gemeente."

Zooals men in den regel aan alle andere oude gebruiken vasthield, was men er ook heel tevreden mee eiken Zondag naar de kerk te gaan. Ieder kwam, die komen kon, zelfs in den winter, in de allerstrengste kou. En juist dan was het bijna noodig: men zou het niet hebben kunnen uithouden in de onverwarmde kerk, als het buiten veertien graden vorst Was, wanneer die niet heelemaal vol menschen was.

Maar men moet niet gelooven, dat de menschen zoo trouw naar de kerk gingen, omdat zij zulk een uitstekenden geestelijke hadden. De predikant, die den ouden proost, die in Groote Ingmars jeugd leefde was opgevolgd, was een goed man, maar 't was onmogelijk hem een groot talent toe te schrijven in 't uitleggen van Gods woord. In dien tijd ging men naar de kerk om God te eeren, en niet om van een mooie preek te genieten. Als men dan later met moeite naar huis terugkeerde, langs den winderigen landweg, dacht men: „Onze lieve Heer heeft 't wel opgemerkt, dat ik op dezen kouden dag in de kerk was."

Dat was 't voornaamste. Niemand kon 't helpen, dat de predikant nooit iets anders zei dan wat men eiken Zondag gehoord had, sinds hij beroepen was.

28

Sluiten