Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar 't moet gezegd worden, dat toch de meesten volkomen tevreden waren met wat zij hoorden. Zij wisten, dat wat de predikant hun voor las, Góds woord was, en daarom vonden ze het mooi. Alleen de schoolmeester en een enkele van de oude, bedachtzame boeren zeiden soms tegen elkaar: „Die predikant hier heeft eigenlijk maar één preek. Hij spreekt alleen over Gods voorzienigheid en Gods bestuur. Dat gaat, zoolang de secte-predikanten niet hier komen, maar langer ook niet. Want deze vesting wordt slecht verdedigd en is verloren bij den eersten aanval."

Het was werkelijk een feit, dat de rondreizende predikers altijd deze gemeente voorbijgingen, 't Baatte hun niet er heen te gaan, zeiden ze. De menschen daar wilden niet bekeerd worden. En al die reizenden, zoowel als de bekeerden in de naburige gemeenten, hielden ook de oude Ingmarsens en de bewoners van hun gemeente voor groote zondaars. En als zij de klokken van hun kerk hoorden, zeiden ze, dat ze luidden: „Slaapt in uw zonden, slaapt in uw zonden!"

Maar alle gemeenteleden, groot en klein, waren heel boos, toen ze gewaar werden, dat de menschen zoo over hun klokken spraken. Zij wisten immers dat geen van hen allen ooit verzuimde het Onze Vader te bidden, als de kerkklokken luidden. En dat allen eiken middag, als de klok van zes uur geluid werd, den arbeid staakten in huis en daar buiten. De mannen namen de petten af, de vrouwen bogen 't hoofd, en allen stonden stil zoolang als noodig is om het gebed des Heerén uit te spreken. Allen, die in die gemeente geleefd hadden, moesten erkennen, dat ze nooit zoo diep gevoeld hadden, dat God groot is en geëerd wordt, als wanneer ze des zomers avonds de zeisen zagen inhouden, de ploegen stilstaan midden in hun vaart en de mannen ophouden met den oogst af te laden, alleen om die paar klokkeslagen. 't Was alsof de menschen wisten, dat Onze lieve Heer juist dan over de gemeente zweefde op een avondwolk, groot en heerlijk en goedertierend, en Zyn zegen deed neerdalen over het geheele dorp.

Men had daar nog geen schoolmeester, die op het seminarium geweest was, maar een echten ouderwetschen meester, een boer, die zichzelf gevormd had. Hy was een knap man en kon alleen honderd kinderen les geven. Hij was meer dan dertig jaar schoolmeester geweest en stond hoog in aanzien. Het scheelde niet veel of de schoolmeester dacht, dat hij verantwoordelijk was voor het geestelijk welzijn van de geheele gemeente. En hij was er dikwijls bezorgd over, dat zij een predikant hadden, die in 't geheel niet preeken kon. Maar hy sprak daar niet over,

29

Sluiten