Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze had zoo'n haast met dat alles gemaakt om aan de school te kunnen beginnen, die ook in de kerkbuurt moest liggen.

Ze moest veel plaats voor de school hebben en die moest aan den oever van de beek staan, een geweldig groot, wit huis met twee verdiepingen, met een grooten tuin er omheen, en een hooge vlaggestang op 't grasperk.

Ze had haar beste blokjes voor de school bewaard, en toch bleef ze zitten en dacht er over, hoe ze daarmee klaar kon komen, 't Liefst had ze de school willen bouwen, precies zooals ze was, met één groote schoolkamer beneden en een daarboven, en met de kamer en de keuken, waar zij en haar ouders woonden.

Maar dat zou veel tijd kosten. „Zoolang laten ze me zeker niet met rust," dacht ze.

Daar klonken voetstappen buiten de deur, iemand stampte de sneeuw van de voeten, 't Meisje begon met ijver te bouwen. Nu kwam de dominee met Vader en Moeder praten, dacht ze; nu had ze den heelen avond vóór zich. En ze begon met frisschen moed, en legde de grondslagen van een school zoo groot als 't halve dorp.

De moeder had ook voetstappen in de gang gehoord. Ze stond op en schoof een ouden leunstoel bij 't vuur. Ze wendde zich tot haar man.

„Wil je 't hem vanavond zeggen?" vroeg ze.

„Ja," antwoordde de schoolmeester, „zoodra ik er gelegenheid voor heb."

De dominee kwam binnen, koud en vermoeid; — blij, dat hij bij 't vuur kon zitten in een warme kamer. Hij was zeer spraakzaam, — als gewoonlijk. Men kon eigenlijk nooit een aangenamer mensch vinden dan den dominee, zooals hij daar binnenkwam om over koetjes en kalfjes te praten. Hij sprak gemakkelijk en vrij over wereldsche zaken; men zou niet kunnen gelooven, dat het dezelfde man was, dien 't preekeu zoo zwaar viel. Maar als men over geestelijke aangelegenheden met hem begon, kreeg hij een kleur, zocht lang naar zijn woorden en zei nooit iets, dat wat beteekende. Dat gebeurde alleen dan wel eens, als hij mocht spreken over het Godsbestuur.

Zoodra de predikant had plaatsgenomen, wendde de schoolmeester zich tot hem en zei opgewekt: „Nu moet ik dominee vertellen, dat ik een Zendingshuis bouwen ga."

De predikant werd bleek; hij zonk ineen in den leuningstoel, dien Moeder Stina voor hem had klaargezet. „Wat zeg je, Storm?" vroeg hij. Moet hier een zendingshuis komen? Wat moeten de kerk en ik dan? Moeten wij weg?"

„De kerk en de dominee kunnen we nog niet missen," zei de schoolmeester met overtuiging .„Het Zendingshuis zal de kerk

32

Sluiten