Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen stond hij op, deed zijn pels aan, nam zijn muts en ging naar de deur.

Den heelen avond had hij geworsteld om woorden te vinden, die Storm konden bewijzen, dat hij ongelijk had, niet alleen tegenover hem, maar tegenover de geheele gemeente, die hij kon schaden door deze onderneming. Maar hoewel de gedachten en woorden zich in zijn hoofd verdrongen, kon hij ze niet uitspreken, omdat hij een gebroken man was.

Toen hij bij de deur kwam, zag hij Gertrud, die in haar hoekje met haar stukjes glas en blokjes zat te spelen. Hij bleef staan en zag haar aan. Ze had blijkbaar geen woord van het gesprek gehoord. Haar oogen straalden van genoegen en haar wangen waren rooder dan anders.

De predikant werd getroffen door zooveel blijdschap en zorgeloosheid naast zijn eigen groote smart. Hij ging naar haar toe en vroeg: „Wat doe je?"

Het meisje had al lang haar gemeente af. Zij had alles al weer omgeworpen en was aan wat nieuws begonnen.

„Als dominee maar wat eerder gekomen was!" zei 't kind. „Ik had zoo'n mooie gemeente met kerk en school."

„Zoo, en wat heb je dan nu?"

„Ja, nu heb ik de gemeente weer omgegooid en nu ga ik Jeruzalem bouwen, en —"

„Wat zeg je?" viel de predikant haar in de rede. „Zeg je, dat je de gemeente hebt omgegooid om Jeruzalem te bouwen!"

„Ja," antwoordde Gertrud. ,,'t Was zoo'n mooie gemeentel Maar ze lazen gisteren op school over Jeruzalem, en nu heb ik de gemeente omgegooid om Jeruzalem te bouwen."

De predikant bleef het kind aanstaren. Hij streek zich over 't voorhoofd als om orde in zijn gedachten te brengen.

,,'t Moet iemand zijn, die grooter is dan jij, die uit je mond spreekt," zei hij zacht.

De woorden van het kind kwamen hem zoo vreemd voor, dat hij ze keer op keer in zichzelf herhaalde. En terwijl hij dat deed, kwam hij weer in zijn gewonen gedachtengang, en hij vroeg zich af hoe Gods bestuur is en welke middelen Hij aanwendt om Zijn wil te volvoeren.

Hij ging weer naar den schoolmeester, en zei met zijn gewone vriendelijke stem en met een bizonderen glans in de oogen:

„Ik ben niet boos meer op je, Storm. Je doet zeker wat je doen moet. Ik heb er altijd veel over gedacht hoe God alles bestuurt en ik ben niet tot klaarheid gekomen. En dit begrijp ik ook niet. Maar wél begrijp ik, dat je niet anders kunt doen dan je nu doet."

35

Sluiten