Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZIJ ZAGEN DEN HEMEL OPEN.

In ditzelfde voorjaar, dat het Zendingshuis gebouw werd, viel een plotselinge heftige dooi in, en 't water steeg hoog in de beek. 't Was wonderlijk te zien, hoeveel water er in die lente was.

Het goot van den hemel, het bruiste in groote stroomen van de bergen, het sijpelde uit den grond; er vloeide water in elk wielspoor en elke ploegvoor. En al dat water liep naar de beek, die wies en wies en al sneller stroomde. Ze was niet donker en glanzend en stil als gewoonlijk, maar geelgrauw van al het met aard vermengde water dat er in neerstroomde, en zooals ze daar nu aan kwam storten, vol hout en ijsstukken, zag ze er bijzonder dreigend en onheilspellend uit.

In het begin bekommerden de volwassenen zich niet bizonder om 't smelten van de sneeuw. Alleen de kinderen stormden naar de beek, zoodra ze een uurtje vrij hadden, en keken naar het woeste water en al wat het meesleurde in zijn vaart.

Al spoedig waren 't niet alleen stokken en ijsschollen, neen, hoor! Daar kwamen waschsteigers en badhuisjes aan. En wat later kwamen booten en spaanders van stukgeslagen schipbruggen.

„Nu sleept hij onze brug ook mee, dat zul je zien," zeiden de kinderen. Ze waren een beetje bang, maar eigenlijk heel blij, omdat er zoo iets gewichtigs gebeuren zou. En juist toen ze daarover praatten, kwam een groote den aandrijven met wortel en takken, en daarachter kwam een espeboom aanzeilen met witten stam, en van den oever zag men, dat aan de wijduitgespreide takken groote knoppen zaten, die in 't langdurige bad waren opgezwollen. En vlak achter de boomen dreef een kleine hooischuur, ondersteboven. Die was nog vol hooi en stroo, en dreef op haar dak, als een boot op haar kiel.

Maar toen er zulke dingen voorbij dreven, kwamen de groote menschen pok in beweging. Men begreep, dat de beek ergens

86

Sluiten