Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KARIN INGMARSDOCHTER.

't Was een voormiddag in den herfst. De school was open, maar 't was 't uur van middagrust. De schoolmeester en Gertrud kwamen in de keuken; ze gingen aan tafel zitten en Moeder Stina schonk koffie.

Eer ze de kopjes nog leeg hadden, kwam er bezoek.

Hij, die binnenkwam, was Halfvor Halfvorsen, een jonge boer die een winkel bij de kerk had. Hij was van Timshoeve en werd daarom meestal Tims Halfvor genoemd. Hij was een groote, knappe jonge man; maar hij zag er gedrukt uit. Moeder Stina bood hem een kop koffie aan, en hrj ging bij de tafel zitten en sprak met den schoolmeester.

De huismoeder zat op de sofa onder 't venster te breien. Ze zat zoo, dat ze op den weg kon zien.

Opeens kreeg ze een kleur en boog zich voorover om beter te kunnen zien. Maar spoedig deed ze haar best er rustig uit te zien, en zei heel onverschillig: „Ik geloof, dat de groote lui vandaag aan 't wandelen zijn."

De koopman hoorde aan haar toon, dat er iets bizonders was. Hij stond op en keek uit. Hij zag een lange, wat voorover gebogen vrouw en een jongen naar de school toekomen.

„Als ik me niet vergis, is dat Karin Ingmarsdochter," zei Moeder Stina.

„Ja, dat is Karin," bevestigde de koopman. Hij zei niets meer, maar keerde zich van het venster af en zag de kamer rond, alsof hij naar een gelegenheid zocht om te ontsnappen. Maar toen ging hij weer kalm op zijn plaats zitten.

Den vorigen zomer, terwijl Groote Ingmar nog leefde, had Halfvor aanzoek gedaan om de hand van Karin Ingmarsdochter. Hij had lang aangehouden: er waren allerlei bezwaren geweest. De ouders hadden niet zeker geweten of hij wel goed genoeg was. 't Was niét om 't geld, want Halfvor was rijk; maar zijn vader was aan den drank geweest, 't Kon zijn, dat hij de neiging ge-

42

Sluiten