Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erfd had. Eindelijk was toch uitgemaakt, dat Karin en hij elkaar krijgen zouden.

De dag van de bruiloft was vastgesteld, en de predikant zou 't huwelijk in de kerk bekendmaken. Maar vóór de Zondag kwam, maakten Karin en Halfvor een reis naar Falun om ringen en een gezangboek te koopen. Ze waren drie dagen onderweg, en toen ze terugkwamen, zei Karin tegen haar vader, dat ze niet met Halfvor kon trouwen. Ze had toch niet over iets anders te klagen, dan dat Halfvor onderweg één keer dronken geweest was. Karin was nu bang, dat hij zou worden als zijn vader, Groote Ingmar zei, dat hij haar niet dwingen wilde, en Halfvor kreeg zijn afscheid. Hij trok zich dat zeer aan.

„Je doet me zulk een schande aan,*' zei hij tegen Karin, „dat ik het niet dragen kan. Wat moeten de menschen wel van me denken, als je zóó met me breekt? 't Gaat niet aan een eerlijken jongen zoo te behandelen."

Maar Karin was niet te bewegen en Halfvor was sinds dien tijd voortdurend bedroefd en somber geweest. Hij kon 't onrecht, dat de Ingmarsens hem hadden aangedaan, niet vergeten.

En daar kwam nu Karin, en Halfvor zat hier. En hoe moest dat nu gaan?

Zooveel was zeker, dat er van geen verzoening sprake kon zijn. Karin was sinds den vorigen herfst getrouwd met Eljas Elof Ersson. Zij en haar man woonden op Ingmarshoeve en bestuurden die, sinds Groote Ingmar gestorven was. Groote Ingmar had vijf dochters en een zoon nagelaten; maar de zoon was zoo jong, dat hij de hoeve niet kon overnemen.

Intusschen was Karin in de keuken gekomen. Ze was niet veel ouder dan twintig jaar, maar ze had er zeker nooit jong uitgezien. Ze zou overal voor heel leelijk zijn gehouden, want ze leek op haar familie, had zware oogleden, wat roodachtig haar en een stroeven trek om den mond. Maar de schoolmeester en zijn vrouw zagen haar graag, omdat ze zoo op de oude Ingmarsens leek.

Karin vertrok geen spier op haar gezicht toen ze Halfvor zag, maar ging langzaam en vriendelijk van den een naar den ander èn groette. Toen ze Halfvor de hand reikte, stak hij de zijne zoo ver uit, dat hun vingertoppen elkaar even aanraakten.

Karin liep altijd wat voorover. Toen zij Halfvor naderde, was 't alsof ze nog wat meer 't hoofd boog dan anders; maar Halfvor stond daar ranker en hief 't hoofd nog wat meer op dan gewoonlijk.

„Zoo Karin, ben je er vandaag eens op uit?" zei Moeder Stina en zette den leuningstoel voor haar neer.

„Ja, ja," zei ze, ,,'t is nu prettig om te loopen, 't heeft wat gevroren."

43

Sluiten