Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, 't heeft hard gevroren vannacht," merkte de schoolmeester op.

Maar daarna werd het stil in de kamer, niemand wist meer wat te zeggen, 't Bleef een paar minuten doodstil. Toen stond Halfvor op en de anderen schrikten, alsof ze uit een diepen slaap waren gewekt.

„Nu moet ik naar den winkel," zei hij.

„Halfvor heeft toch zoo'n haast niet," zei de gastvrouw.

„Je gaat toch niet om mij weg?" vroeg Karin. Haar stem klonk zeer ootmoedig, als ze tot hem sprak.

Zoodra Halfvor was heengegaan, was de betoovering gebroken en de schoolmeester wist opeens, waar hij over spreken kon. Hij zag den knaap aan, die met Karin binnengekomen was, en op wien niemand tot nu toe gelet had.

't Was een klein ventje, hij kon niet veel ouder dan Gertrud zrjn, hij had een helder en fijn kindergezichtje, maar er was iets oudachtigs over hem, en 't was niet moeilijk te zien, tot welke familie hij hoorde.

„Ik geloof, dat Karin met een leerling aankomt," zei Storm.

„Dat is mijn broer," antwoordde Karin. „Hij is nu Ingmar Ingmarsen."

„Hij is nog wat klein voor dien naam," merkte Storm op. „Ja, Vader is te vroeg gestorven."

„Ja, dat zeg je wel," antwoordden Storm en zijn vrouw uit één mond.

„Hij is op de groote school in Falun geweest," zei Karin. „Daarom is hij niet eerder bij u gekomen."

„Zou je niet zorgen, dat hij daar van 't jaar weer komt?"

Karin sloeg de oogen neer en zuchtte diep, maar gaf geen antwoord op die vraag.

„Hij zal wel gauw leeren lezen," zei ze.

„Ja maar ik ben bang, dat ik hem niets meer leeren kan. Hij zal wel even knap zijn als ik."

„Ach, u weet toch meer dan zoo'n kleine jongen."

't Werd weer stil, tot Karin opnieuw begon:

„Ik wou niet alleen over 't schoolgaan spreken. Ik wou Meester ook vragen, en u, Moeder Stina, of de jongen hier niet wonen kan."

De schoolmeester en zijn vrouw zagen elkaar verbaasd aan; geen van beiden wisten ze wat ze zeggen moesten.

„Ja, wij hebben niet veel plaats," zei Storm eindelijk.

„Ik dacht, dat ik wel zou kunnen betalen met boter, melk en eieren."

„O ja, wat dat betreft..."

„U zoudt er me een grooten dienst mee bewijzen," zei de rijke boerin.

44

Sluiten