Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik ben niet dronken," zei Eljas; „maar toen ik naar buiten vloog, was 't alsof Groote Ingmar naar me toekwam, om me het horloge af te nemen, en daardoor viel ik zoo leelijk."

Halfvor boog zich om den stumper daar voor hem op te hemen. Ze moesten Eljas op den wagen naar huis brengen. Hij had zijn rug gebroken en zou nooit meer kunnen staan. Sinds dien dag lag hij altijd te bed, hij was machteloos en kon zich niet bewegen. Maar spreken kon hij, en vroeg aldoor om brandewijn.

De dokter had Karin streng verboden hem drank te geven, want dan zou hij binnenkort sterven. Eljas zocht haar daartoe te dwingen door te schreeuwen en spektakel te maken, vooral des nachts. Hij stelde zich aan als een waanzinnige en stoorde aller rust.

Dat waren Karins ergste jaren. De man maakte haar vaak 't leven zóó zwaar, dat ze meende 't niet te kunnen uithouden; hij vulde het heele huis met booze, giftige woorden en vloeken, zoodat 't een hel werd.

Karin verzocht den schoolmeester en zijn vrouw Ingmar bij zich te houden. Ze wilde niet, dat hij thuis zou komen, — zelfs niet met Kerstmis.

Alle knechts op Ingmarshoeve waren in de familie van Karin en-waren levenslang op de hoeve geweest. Als dat niet zoo geweest was, dat ze met de Ingmarsens opgegroeid waren, zou niemand het in dien dienst hebben uitgehouden. Eljas liet ze maar zelden een nacht rustig slapen. En telkens vond hij wat nieuws uit om Karin mee te plagen, zoodat ze eindelijk genoodzaakt zou rijn aan zijn smeeken toe te geven.

In deze ellende leefde Karin een winter, een zomer en nog een winter.

Karin Ingmarsdochter had een plekje, waar ze gewoonlijk heenging om eens alleen te zijn en over haar ongeluk na te denken, 't Was een smalle bank achter de kleine hophaag. Daar placht ze te zitten, ineengedoken, den elleboog op de knieën geleund en de kin op de handen. Zoo zat ze voor zich uit te staren zonder iets te zien. Toch had ze een wijd uitzicht daar. 't Was als rolden de velden zich uit van de plaats waar ze zat, tot heel aan 't bosch toe, met den stijgenden bergrug en den Klackberg.

Daar zat Karin op een avond in April. Ze voelde zich zwak en moedeloos, zooals veel menschen zoo dikwijls doen in de lente, als de sneeuw verdwijnt, stoffig en vuil, en 't veld niet door den lenteregen schoongespoeld is. De zon stak warm, maar de noordenwind speelde nog om haar heen, want de hop, die haar schaduw geven moest, was niet opgekomen, maar lag nog in den winterslaap onder het dak van dennetakken.

52

Sluiten