Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komen. Maar je begrijpt wel, Karin, dat daar geen sprake van is. Bij mij krijgt hij 't evenmin als bij jou. Dus komt hij morgen. Hij krijgt de kamer achter den winkel, en ik heb hem beloofd, dat de deur open zal staan, zoodat hij de menschen zien kan."

Bij de eerste woorden, die Halfvor sprak, had Karin zich verwonderd afgevraagd, of dit nu iets was, wat hij bedacht had om haar voor den gek te houden; maar langzamerhand begon zij te begrijpen, dat hij 't in ernst meende.

Nu was 't zoo, dat Karin altijd gemeend had, dat Halfvor haar gevraagd had, omdat hij rijk was en van goede familie. Zij had er nooit aan gedacht, dat hij van haar houden zou om haarzelfs wil. Zij wist wel, dat ze niet tot die soort van meisjes behoorde, waar jongens van houden. Zelf was ze ook niet verliefd geweest, op Halfvor noch op Eljas.

Maar toen Halfvor kwam en haar met dit vreeselijke wilde helpen, dat ze te dragen had, werd Karin geheel overweldigd door zoo iets groots, zoo iets ongehoords. Hoe was het mogelijk, dat Halfvor zoo goed voor haar kon zijn.

Hij moest zeker van haar houden, die Halfvor, hij moest van haar houden; anders zou hij haar niet op die manier te hulp komen. Karins hart begon heftig te kloppen. Er werd iets in haar wakker, wat rij nooit te voren had gevoeld. Zij vroeg zich verbaasd af, wat dat wezen kon, tot zij plotseling begreep, dat Halfvors goedheid haar ijskoud zieleleven verwarmd had, en dat liefde voor hem nu in haar opbloeide.

Halfvor ging voort haar zijn plan uit te leggen, bevreesd als hij was, dat zij tegenwerpingen zou maken: ,,'t Is ook jammer voor Eljas, zooals 't nu is," zei hij. „Hij heeft wel wat afwisseling noodig. En zoo lastig als hij voor jou is, wordt hij niet voor mij. 't Wordt alles anders, als er een man in huis is, waar hij ontzag voor heeft."

Karin wist niet wat zij zou zeggen; rij meende, dat zij geen beweging zou kunnen maken of een woord zeggen, zonder dat Halfvor merken zou, dat ze hem liefhad. En toch moest ze hem antwoorden.

Eindelijk zweeg Halfvor en bleef haar staan aanzien.

Karin stond als onwillig op, ging naar Halfvor en streek hem zacht over de hand.

„God zegen je, Halfvor," zei ze met gebroken stem. „God zegen je."

Hoe voorzichtig ze ook geweest was, moest Halfvor toch iets gemerkt hebben, want hij greep snel haar beide handen en trok haar naar zich toe.

„Neen, neen!" riep ze verschrikt, rukte zich los en snelde weg.

54

Sluiten