Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen ging de deuren open en nog een gast kwam binnen. Ingmar Ingmarsen ging naar hem toe en leidde hem aan tafel. „Dat is Tims Halfvor Halfvorsen," zei hij tot Berger Sven Person.

Deze stond niet op. Hij groette alleen met een lichte handbeweging en zei eenigzins schertsend: ,,'t Is me heel aangenaam met zulk een beroemd man kennis te maken."

Ingmar Ingmarsen schoof een stoel voor Halfvor aan, met zulk een geweld, dat Halfvor niet kon antwoorden.

Alle aanbidders werden spraakzaam en blufferig van 't oogenblik af, dat Halfvor kwam. Zij begonnen elkaar te prijzen en te steunen, 't Was alsof ze overeengekomen waren zich bij elkaar aan te sluiten, tot ze Halfvor van de baan geschoven hadden.

,,'t Was een mooi paard, waar u mee kwam aanrijden," begon de inspecteur. Sven Person kaatste den bal terug en prees den inspecteur om een beer, dien'hij den vorigen winter geschoten had. En toen complimenteerden beiden den zoon van den herbergier te Karmsund over 't mooie huis, dat zijn vader had laten zetten. En eindelijk begonnen zij alle drie te pochen op Sven Persons rijkdom. Zij werden zeer welsprekend, en met ieder woord beduidden zij Halfvor, dat hij een al te onbeduidend man was om zich met hen te meten. Halfvor voelde zich heel klein. Hij had bitter berouw, dat hij gekomen was.

Karin kwam nu binnen met koffie. Toen zij Halfvor zag, was zij eerst blij, maar dadelijk dacht zij er aan welk een verkeerden indruk 't moest maken, dat hij haar al zoo gauw na 't overlijden van haar man bezocht. Als hij zoo'n haast toonde, konden de menschen wel zeggen, dat hij Eljas niet te best oppaste, om hem gauw kwijt te wezen, en haar, Karin, tot vrouw te kunnen krijgen.

Ze had liefst gewild, dat hij twee, drie jaar gewacht had met te komen. Dat zou de manier geweest zijn om den menschen te toonen, dat hrj Eljas niet uit ongeduld kwaad gedaan had. „Waarom hoeft hij zich zoo te haasten?" dacht zij. „Hij kan toch wel begrijpen, dat ik er nooit toe komen zal een ander te nemen dan hem."

Toen Karin binnenkwam, werd het weer stil in de kamer en niemand dacht aan iets anders dan te zien hoe Halfvor en zij elkaar zouden begroeten, 't Was maar nauwelijks, dat hun vingertoppen elkaar raakten. Toen Sven Person dat zag, gaf zijn blijdschap zich in een kort, scherp fluiten lucht; maar de inspecteur lachte haastig en luid. Halfvor keerde zich rustig tot hem.

„Waarom lacht mijnheer de inspecteur?" vroeg hij zacht.

De inspecteur wist zoo gauw niet, wat hij zeggen zou. Hij wilde niet scherp zijn, omdat Karin in de kamer was.

„Hij denkt aan een jachthond, die een haas opjaagt, maar die door een ander laat schieten," zei de zoon van den herbergier

56

Sluiten