Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dubbelzinnig.

Karin stond nu met een vuurrood gezicht de koffie in te schenken. Nu sprak ze verontschuldigend:

„Berger Sven Person en de anderen moeten tevreden zijn met enkel koffie. Wij bieden nu geen drank meer aan hier op de hoeve."

„Ja, dat doen we bij mij thuis ook niet," zei Sven Person. De inspecteur en de zoon van den herbergier zwegen; ze voelden, dat hij een groot voordeel behaald had. Person begon nu over het nut der onthouding te spreken. Karin bleef staan luisteren. Zij was het eens met al wat hij zeide. De boer zag duidelijk, dat zij op deze wijze moest worden aangepakt, en sprak lang en breed over den brandewijn en dronkenschap. Karin herkende in zijn woorden al de stille gedachten, die zij deze laatste jaren over die dingen gekoesterd had. En het verheugde haar ze gedeeld te zien door een zoo machtig en wijs man. Midden onder dit gesprek zag Sven Person Halfvor aan. Hij zat daar treurig en knorrig; zijn kopje stond onaangeroerd voor hem. „Ja, 't is wel hard voor hem," dacht Sven Person, „vooral als het waar is, wat de menschen zeggen, dat hij Eljas een eindje op weg geholpen heeft. Eigenlijk was het een goede daad Karin van dien vreeselijken man te bevrijden."

En nu hij meende, dat hy het spel bijna gewonnen had, voelde hy zich vriendelijk tegenover Halfvor gestemd. Hij nam zijn koffiekopje, hief het op en zei: „Op je gezondheid, Halfvor. Je bent zeker Karin een goede hulp geweest, door den ellendeling op te passen, waarmee ze getrouwd was."

Halfvor bleef stil zitten en zag hem vlak in 't gezicht, onzeker hoe hij dit opnemen moest. Maar de inspecteur barstte in lachen uit.

„Ja, een goede hulp," schaterde hij, „een beste hulp."

Eer zy tot bedaren gekomen waren, was Karin weg; als een schaduw was zij de keukendeur uitgegleden.

Zij bleef buiten de deur staan, zoodat ze alles kon hooren, wat in de groote kamer gesproken werd. Zij was geërgerd en wanhopig, omdat Halfvor zooveel te vroeg was gekomen. Hij zou nog maken, dat ze nooit met hem kon trouwen. Ze hoorde immers hoe 't kwaadspreken al aan den gang was. „Ik weet niet, hoe ik 't zal kunnen dragen hem te missen," dacht ze en drukte de handen tegen 't hart.

Eerst bleef alles stil in de groote kamer. Toen hoorde ze hoe een stoel achteruitgeschoven werd en iemand opstond.

„Ga je al weg, Halfvor?" vroeg de jonge Ingmar.

„Ja," antwoordde Halfvor, „ik kan niet langer blijven. Groet Karin Ingmarsdochter van mij en zeg haar, dat ik ben heengegaan."

57

Sluiten