Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je kunt wel naar den keuken gaan en haar zelf goedendag zeggen."

Neen," hoorde ze Halfvor antwoorden, „wy beiden hebben elkaar niets meer te zeggen."

Karins hart begon te bonzen. Haar gedachten vlogen heen en weer als nooit te voren. Nu was Halfvor boos op haar, en dat was geen wonder. Zij had hem nauwelijks een hand durven geven, en toen de anderen hem hoonden, had ze hem niet verdedigd, maar was weggeslopen.

Nu geloofde hij, dat ze niet van hem hield; nu ging hij heen, en zou wel nooit terugkomen.

Neen, nu wist ze niet hoe ze zoo had kunnen doen, zij, die hem zoo liefhad.

Opeens viel haar in, wat haar vader altijd placht te zeggen, dat de Ingmarsens zich niet om menschen behoefden te bekommeren; zij hadden maar Gods wegen te gaan.

Karin deed plotseling de deur weer open en stond voor Halfvor, eer hij de kamer weer uit had kunnen komen.

„Moet je al weg, Halfvor? Ik dacht, dat je vanavond bij ons zoudt blijven."

Halfvor bleef staan en staarde haar aan. Ze was geheel veranderd; blozend en warm stond ze voor hem, en er was iets teers en aandoenlijks over haar, zooals hij vroeger nooit gezien had.

„Ik ben van plan heen te gaan en nooit weer te komen," zei Halfvor. Hij begreep niet wat ze wilde.

„Och, kom nu en drink je koffie uit, zei Karin.

Ze nam hem bij de hand en leidde hem naar de tafel. Ze werd beurtelings rood en bleek, terwijl ze daar liep. De moed begaf haar telkens, maar ze hield vol, hoewel hoon en verachting dragen 't bitterste lijden was, dat zy zich denken kon. „Nu zal hij ten minste zien, dat ik met hem de lasten wil dragen," dacht zij.

„Berger Sven Person, en alle anderen," zei Karin, „Halfvor en ik hebben samen nog nergens over gesproken, omdat ik pas zoo kort geleden weduwe ben geworden. Maar nu geloof ik, dat het 't best is, dat allen hooren, dat ik liever met Halfvor trouwen wil dan met iemand anders."

Zij hield even op, omdat haar stem beefde.

„De menschen mogen zeggen wat ze willen, maar Halfvor en ik hebben geen kwaad gedaan."

Toen zij dit gezegd had, leunde Karin dicht tegen Halfvor aan, alsof ze bescherming zocht tegen alle booze woorden, die nu zouden volgen.

Allen zwegen, — meest uit verbazing over Karin Ingmarsdochter, die er jonger en meisjesachtiger uitzag, dan ze ooit in haar leven gedaan had.

58

Sluiten