Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De schoolmeester begon te gelooven, dat Kolas Gunnar 't zoo erg niet meende als 't wel leek.

„Is het je bedoeling, Gunnar," zei hrj en probeerde te schertsen, „dat hier een andere leer dan de Luthersche gepredikt zal worden?"

„Hier is geen sprake van een nieuwe leer," viel Gunnar nu uit met scherpe stem, „maar van wie preeken zal. En zoover ik weet, is Matts Erikson een even goed Lutheraan als Meester en de dominee."

De schoolmeester had een oogenblik den predikant vergeten. Nu zag hij naar hem. Hij zat stil en onbeweeglijk, met de kin op den knop van zyn stok geleund en zyn oogen hadden een vreemden glans. En Storm zag, dat zijn blik gestadig op hem rustte en dat hy dien geen oogenblik afwendde.

,,'t Was misschien toch beter geweest, als hij juist vandaag niet gekomen was," dacht de schoolmeester. Nu viel het hem in, dat wat nu gebeurde iets was, Wat hij vroeger meer had bijgewoond, 't Kon zijn, nu en dan in de school, op een mooien lentedag, dat een vogeltje kwam en buiten voor 't schoolvenster ging zitten en zong, — en zong! En op 't zelfde oogenblik begonnen alle kinderen te vragen om met 't werk op te houden. Ze werden onrustig en maakten leven, en waren nauwelijks meer te regeeren. Iets dergelijks was over de vergadering gekomen dezen middag, na de komst van Hök Matts. Maar hij dacht, dat hij nu den predikant en al den anderen toonen zou, dat hy de man was om dat oproer te dempen.

„Nu zal ik ze eerst een poosje laten begaan, zoodat de levenmakers zich moe gepraat hebben," dacht hij, en ging heel rustig op een stoel zitten, die achter de tafel met het waterglas stond.

Op hetzelfde oogenblik barstte er een woedende storm tegen hem los, want nu werd ieder door de gedachte bezield: „Wij zijn immers allen even goed als de schoolmeester. Waarom moet hy alleen ons zeggen, wat we gelooven en wat we niet gelooven moeten?"

't Scheen, dat dit voor de meesten nieuwe gedachten waren, maar men kon toch aan 't praten hooren, dat zij in de menschen waren opgekomen en gegroeid sedert de schoolmeester het Zendingshuis bouwde, en hun toonde, dat een eenvoudig, gering man 't kon wagen Gods woord te verklaren.

Na een poos dacht de schoolmeester: „Nu zullen die jongens wel uitgeraasd hebben. Nu is het tijd hun te toonen wie de baas is hier in 't huis."

Hij stond op, sloeg met de hand hard op de tafel en zei met luide stem:

„Nu moet het uit zijn! Wat is dit voor een spektakel! Nu wil ik naar huis en jelui moet ook heengaan, zoodat ik 't licht uit kan doen en sluiten."

Jeruzalem. 3

65

Sluiten