Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ingmar Ingmarsen rond met een stoel in de armen.

„Is Ingmar gek geworden?" barstte Gertrud uit.

„Stil," zei de moeder en trok haar mee naar de trap. „Hij zal willen leeren dansen. Hij oefent zich zeker, zoodat hij op de krans kan dansen," zei ze en proestte van het lachen.

Moeder Stina schudde werkelijk van 't lachen: „Hij had me haast dood doen schrikken," zei ze. „Goddank, dat hy ook eens jong wezen kan!" En toen ze uitgelachen had, ging ze voort: „Nu^ zeg je daar niemand een woord van, hoor Gertrud!"

't Werd Zaterdagavond, en de vier jonge menschen stonden op de stoep klaar om heen te gaan. Moeder Stina inspecteerde ze. Ze waren zoo mooi, dat het een lust was om te zien. De jongens droegen gele leeren broeken en groene vesten met roode mouwen. Gertrud en Gunhild hadden wijde witte pofmouwen, groote, roze halsdoeken dekten bijna 't geheele lijf, de japon was afgezet met een rand van rood laken, de boezelaars waren groot en van dezelfde kleur als de halsdoeken.

Terwijl de vier voortliepen op dien mooien zomeravond, waren ze in 't begin heel stil. Gertrud zag nu en dan van ter zijde naar Ingmar, en dacht er aan hoe hy gewerkt had om te leeren dansen. Hoe dat nu ook kwam, of 't was door 't denken aan Ingmars dans, of omdat zij naar een kransje mocht gaan, haar gedachten werden licht en mooi, en ze hield zich ongemerkt wat terug, zoodat ze eindelijk wat achter de anderen aanliep, om ongestoord te kunnen droomen. Zij bedacht een verhaaltje van hoe 't gegaan was, toen de nieuwe bladeren aan de hoornen kwamen.

Ze dacht, dat het zeker zoo gegaan was; dat de loofboomen, die den heelen winter rustig en vredig hadden geslapen, plotseling waren begonnen te droomen. Ze hadden toen gedroomd, dat het midden in den zomer was. Zij zagen de velden bekleed met wuivend koren en groen gras, de rozestruiken prijkten met pas opengegane rozen; beken en moerassen tooiden zich met gele plompen, de steenen waren verborgen onder kruiden en planten, en de grond in het bosch was met de fijne, witte bloemen van de boschsterretjes bedekt. En midden tusschen dat alles, wat bekleed en bedekt was, voelden de loofboomen, dat ze kaal en naakt waren, en ze werden verlegen over hun naaktheid, zooals men zoo vaak in droomen is.

De loofboomen meenden in hun verlegenheid, dat allen den gek met hen staken. De hommels kwamen aansnorren en hoonden hen, de eksters lachten ze uit en de andere vogels zongen spotliederen. „Waar zullen we toch wat vinden om ons te kleeden?" dachten de boomen in wanhoop. Maar ze bezaten niet één beschuttend blad op tak of twijg, en hun angst werd zoo groot, dat ze er wakker van werden.

70

Sluiten