Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen ze om zich heen alles nog in rust vonden, dachten ze dadelijk: „Goddank, dat het maar een droom was. Hier is het nog geen zomer, 't Is maar goed, dat we ons niet verslapen hebben."

Maar toen ze beter uitkeken, zagen ze, dat de meren al open waren. Riet en gras begon uit den grond te komen, en 't sap stroomde en schuimde al onder hun eigen schors. „Lente is het toch, al is 't nog geen zomer," zeiden de loofboomen. ,,'t Is maar goed, dat we wakker werden. Nu hebben we genoeg geslapen van 't jaar, nu moeten we voor onze kleeren zorgen."

En toen hadden de berken in groote haast kleine, groengele, dartele blaadjes uitgestuurd, terwijl de ahorn zich enkel met groote bloemen tooide. De bladen van de elzen kwamen zoo weinig afgewerkt en gekreukeld voor den dag, dat ze wel gebrekkige kindertjes leken, maar de wilgebladen gleden slank en welgeschapen uit hun hulzen van 't eerste oogenblik af

Gertrud liep stil te lachen, terwijl ze over dit alles dacht. Ze wou maar, dat ze met Ingmar alleen geweest was, om met hem over dit alles te kunnen praten.

Ze hadden nog een heel eind te loopen naar Ingmarshoeve, meer dan een uur. Ze volgden de beek, en Gertrud liep steeds een eindje achter de anderen aan. Nu speelden haar gedachten met den rooden glans van de ondergaande zon, die nog over 't water en 't land vlamde. Grauwe elzestruiken en lichtgroene berken werden in haar glorie gehuld. Ze stonden een oogenblik in gloed en hernamen dan plotseling hun natuurlijke kleur.

Opeens bleef Ingmar staan. Hij brak af midden in iets, wat hij bezig was te zeggen, en kon geen woord meer uitbrengen.

„Wat is er?" vroeg Gunhild.

Ingmar stond doodsbleek voor zich uit te zien. De anderen zagen niets dan een groote vlakte, met akkers bedekt en van heuvels omringd. Midden op 't veld lag een groote boerenhoeve. Op 't zelfde oogenblik viel 't roode licht van den zonsondergang op de hoeve, zoodat alle vensters blonken, en 't oude dak en de muren helder rood schitterden.

Gertrud kwam snel bij de anderen en trok ze mee, terwijl ze haastig naar Ingmar zag.

„We moeten hem nu niets vragen," fluisterde zij. „Dat is Ingmarshoeve. 't Valt hem zeker zwaar die te zien: hij heeft in de laatste twee jaren niet meer naar huis willen gaan, sinds hij arm geworden is."

De weg, dien zij gaan moesten, liep dwars over de vlakte, voorbij de hoeve naar 't huis van Sterke Ingmar, aan den zoom van 't bosch.

Ingmar kwam spoedig achter de anderen aan en riep ze toe: ,,'t Is beter, dat we dezen weg nemen," Hrj bracht ze op een

71

Sluiten