Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pad, dat langs 't bosch liep en naar 't boerderijtje van Sterke Ingmar leidde, zonder de hoeve te raken.

„Je kent Sterke Ingmar zeker wel?" vroeg Hök Gabriël Mattson aan Ingmar.

„Ja, we waren vroeger heel goede vrienden."

„Weet je of 't waar is, dat hij tooveren kan?" vroeg Gunhild.

„Och neen," zei Ingmar, maar aarzelend, alsof hrj 't half geloofde.

„Je kunt ons wel vertellen, wat je weet," ging Gunhild voort.

„Meester zegt, dat we zooiets niet moeten gelooven."

„Meester kan toch niet verbieden te zien wat je ziet, en te gelooven wat je weet."

Ingmar had zoo'n behoefte om over zijn thuis te spreken. Alle herinneringen uit zijn kinderjaren drongen zich aan hem op, toen hij de oude hoeve zag.

„Ik kan jelui iets vertellen, waar ik zelf bij geweest ben," zei hij.

,,'t Was een winter, dat Vader en Sterke Ingmar aan de houtstapels in de kolenbranderij werkten, diep in 't bosch. Toen 't Kerstfeest kwam, bood Sterke Ingmar aan alleen bij de stapels te blijven, zoodat Vader op 't feest thuis kon zijn. Dat werd ook afgesproken en op Kerstavond zond Moeder me naar 't bosch, met het Kerstmaal voor Sterke Ingmar.

Ik ging vroeg en kwam tegen den middag bij de kolenbranderij. Juist toen ik aankwam, hadden Vader en Sterke Ingmar een houtstapel klaar. Ze hadden dien uit elkaar gehaald en al de heete kolen lagen over 't veld verspreid om af te koelen. Er sloeg rook uit den kolenhoop, en waar de kolen 't dichtst bij elkaar lagen, wilden ze vuur vatten, maar dat mocht niet gebeuren, 't Was 't gevaarlijkste oogenblik van 't werk. Vader zei dan ook, zoodra hij me zag: „Ik ben bang, dat je alleen weer naar huis zult moeten gaan, Ingmar. Ik kan Sterke Ingmar niet alleenlaten met dit alles."

Sterke Ingmar liep naar den anderen kant van den kolenhoop in den ergsten rook.

„Ach ja, je kunt best gaan, Groote Ingmar. Ik heb wel erger dingen in orde gebracht."

Na een poosje begonnen de kolen toch minder te rooken.

„Nu zal ik eens zien, wat voor Kerstmaaltijd Moeder Brita mij zendt," zei Sterke Ingmar en nam mij den etensdrager uit de hand en zei: „Ga nu mee en zie eens wat een mooie woning we hebben, je vader en ik."

Hij wees mij de keet waar Vader en hij woonden. Als achterwand had hij een grooten steen, maar verder waren de wanden van dennetakken en sleedoorn.

„Ja, nüjn jongen," zei Sterke Ingmar, „jij dacht zeker niet,

72

Sluiten