Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenige genot van den ouden man 's Zaterdagsavonds de jongelui bij zich te lokken met zijn viool.

In de kamer was het halfdonker en benauwd, paar aan paar draaide daar rond. Gertrud kon haast geen adem halen en wilde weer naar buiten, maar ze moest blijven, 't Was onmogelijk weer door dien menschenmuur heen te dringen.

Sterke Ingmar speelde vast en goed in de maat, maar toen Ingmar Ingmarsen de deur binnenkwam, schoot zijn strijkstok uit, zoodat die kraste over de snaren en de dansenden bleven staan.

„Neen, neen," riep hij. ,,'t Is niets, dans maar door."

Ingmar sloeg den arm om Gertrud om te dansen en zij was daar natuurlijk zeer verbaasd over. Maar ze konden niet beginnen want de paren dansten zoo dicht op elkaar, dat wie niet van 't begin af meegedanst had, er niet tusschen kon komen.

Weer hield toen Sterke Ingmar op, hij sloeg met den strijkstok op den haard en riep met een gebiedende stem:

„Er moet plaats zijn voor den zoon van Groote Ingmar, als er in mijn kamer gedanst wordt."

Nu keerden allen zich om en zagen Ingmar aan. Hij werd verlegen en bewoog zich niet. Maar Gertrud greep hem vast en trok hem mee.

Zoodra de dans geëindigd was, kwam de gastheer zijn nieuwe gasten begroeten. Toen Ingmar zijn hand in de zyne legde, werd de oude man angstig en liet die spoedig los.

„O, o," zei hij, „pas op die fijne schoolmeesters-handen. Een kerel als ik kon ze gemakkelijk fijn knijpen."

Hij nam Ingmar en zijn gezelschap mee naar de tafel en zond eén paar oude boerinnen weg, die daar zaten en zich vermaakten met naar de dansenden te kijken. Daarop ging hij naar een kast en haalde brood, boter en licht bier.

„Ik bied anders niemand wat aan," zei hij, „de anderen moeten tevreden zijn met vioolspel en dans, maar Ingmar Ingmarsen moet iets eten onder mijn dak."

Terwijl de jongelui aten, trok hij een kleinen stoel op drie pooten naar zich toe, ging vlak voor Ingmar zitten en keek hem aan.

„En moet jij nu schoolmeester worden?" zei hij.

Ingmar bleef een poosje zitten met neergeslagen oogen. Zijn lippen bewogen zich alsof hij lust had te lachen, maar hij antwoordde treurig: „Ze hebben me thuis niet noodig."

„Hebben ze je thuis niet noodig?" vroeg de oude man. „Hoe kun je weten, wanneer de hoeve je noodig heeft? Eljas leefde maar twee jaar. Wie weet hoe lang Halfvor leeft."

„Halfvor is gezond en sterk," zei Ingmar.

„Je weet wel, dat Halfvor verhuist en je de hoeve overlaat,

75

Sluiten