Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoodra je die terug kunt koopen."

„Hij was wel dwaas, als hij van Ingmarshoeve wegging, nu hij die eenmaal in handen heeft."

Onder dit gesprek zat Ingmar aan den rand van de tafel te trekken, 't Was een eenvoudige dennenhouten tafel met een dik blad. Het hout kraakte plotseling. Ingmar had een stuk uit den hoek gebroken.

Sterke Ingmar zat met de hand omhoog en zei:

„Hij laat je de hoeve nooit, als je schoolmeester wordt."

„Meen je dat?"

„Meen — meen," zei de oude. „Ik kan wel hooren hoe je opgevoed wordt. Heb je ooit achter een ploeg geloopen?" „Neen," antwoordde Ingmar.

„Heb je ooit op een kolenhoop gepast, of een grooten den geveld?"

Ingmar zat daar even stil en zachtmoedig als altijd, maar de rand van de tafel kraakte onder zijn vingers. Eindelijk merkte de oude man dat en zweeg opeens.

„Ja, ja," zei hij, toen hij zag hoe de tafel aan splinters sprong, „ik zal je nog wel eens onder handen moeten nemen."

Hij nam een paar van de stukjes hout op en paste ze aan elkaar. „Zoo'n jongen. Je kunt je immers op de kermis voor geld laten kijken. Jou bengel!" zei hij en sloeg Ingmar op den schouder, „jij bent er nog al een om schoolmeester te worden."

't Volgend oogenblik stond hij weer op den haard en begon te spelen. Er was nu gloed en warmte in zijn spel. Hij stampte de maat met den voet en zette een geduchte vaart in den dans.

„Dit is nu de polka voor den jongen Ingmar!" riep hij. „Ha, hei — nu danst iedereen in de kamer voor Jonge Ingmar."

Gertrud en Gunhild waren beiden mooi; zij sloegen geen dans over. Ingmar danste niet veel, hij stond meest met enkelen van de oudere mannen te praten, achter in de kamer. Tusschen de dansen drongen zich vele menschen om hem heen, alsof 't hun al een genot was hem te zien.

Gertrud vond, dat 't was alsof Ingmar haar heelemaal vergat, en dat maakte haar angstig. „Nu merkt hij wel, dat hij de zoon van Groote Ingmar is, en ik maar Gertrud van den schoolmeester," dacht ze.

Zij vond zelf, dat 't wonderlijk was, dat dit haar zóó'n pijn deed.

Tusschen de dansen in gingen de jongelui naar buiten in den stillen lentenacht, 't Was scherp koud — ze werden spoedig genoeg afgekoeld, 't Was stikdonker, en omdat niemand lust had naar huis te gaan, zeiden allen: „We moeten nog wat wachten eer we weggaan. De maan zal straks wel opkomen. Nu is het donker."

76

Sluiten