Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den 't onder aan den bergketen. Ze hoorden hoe 't voortvloog door 't bosch, zij hoorden 't over zich heen razen, 't Was als een donderbui, die voortrolde over de aarde.

't Was alsof de heele berg kwam aanrollen en neerdonderde in het dal. En toen het over hen heen raasde, bogen allen 't hoofd en trokken de schouders in. „Dat verplettert ons," dachten ze, „dat verbrijzelt ons!" —

Maar wat hen 't meest aangreep, was niet de vrees voor den dood, maar de ontzettende angst, dat het de vorst der duisternis kon zijn, die door den nacht voortstormde met heel zrjn gevolg. Wat hen 't meest deed huiveren was, dat men onder al 't gebulder geschreeuw en klaagtonen hoorde. Er was iets, dat siste en jammerde, schaterde en huilde, knarsetandde en floot boven hun hoofden. Toen dat, wat in de verte als donder klonk, boven hun hoofd kwam, hoorden ze, dat het bestond uit gejammer en dreigen, uit schreien en tieren, uit hoorngeschal, knetterend vuur, het huilen van boschgeesten, het hoonlachen van duivels, het suizen van groote vleugels.

Zij voelden, dat al het booze uit de afgronden dien nacht was losgebroken en over hen heen stortte.

't Heele veld trilde, en het huis wankelde een oogenblik, alsof het zou vallen.

't Was alsof paarden over 't dak sprongen, — hun hoeven sloegen dreunend tegen de dakbalken; 't was alsof kabouters huilend voorbij den gevel vlogen, alsof vleermuizen en uilen met zware vleugelslagen tegen den schoorsteen aansloegen.

Onder dit alles legde iemand zijn arm om Gertrud en trok haar neer op de knieën. En ze hoorde Ingmar fluisteren: „We moeten knielen Gertrud, en bidden." Een oogenblik te voren had Gertrud gemeend, dat zij sterven zou zóó geweldig had de schrik haar aangegrepen. „Dat is niets, dat ik sterven moet," dacht zij, „maar 't vreeseüjke is, dat de macht van den Booze zoo dicht bij ons is."

Maar zoodra ze Ingmars arm om zich heen voelde, begon haar hart weer te kloppen, en 't verstijfde in haar lichaam ontspande zich. Ze drukte zich dicht, dicht tegen hem aan. Als hij haar maar vasthield, was ze niet bang. 't Was vreemd, hrj moest toch zelf ook bang zijn en toch ging er zulk een rust van hem uit.

Eindelijk nam het onweer af en ze hoorden het wegtrekken, 't Nam denzelfden weg als de hond zoo pas, langs het Langfors en 't bosch in bij den Olofshoed.

Maar 't bleef stil, doodstil in de kamer van Sterke Ingmar. Niemand bewoog zich, niemand zei iets. 't Was alsof ze er de kracht niet toe hadden.

Men had kunnen denken, dat de schrik alle leven had gebluscht;

79

Sluiten