Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen nu en dan hoorde men aan een diep ademhalen, dat er nog waren, die leefden.

Maar 't duurde lang, heel lang, eer iemand zich verroerde. Enkelen stonden overeind, tegen den muur geleund, anderen waren op de banken neergezonken, maar de meesten lagen op den grond geknield, in angstig bidden verdiept. Allen bleven onbeweeglijk, als verlamd van schrik.

Zoo verliep het eene uur na het andere en in dien tijd waren er velen, die hun ziel onderzochten en besloten een nieuw leven te beginnen, dichter bij God en verder van het booze. Want ieder van hen, die daar waren, dacht: ,,'t Is om iets wat ik gedaan heb, dat dit over ons komt. Dit gebeurt om mijn zonden. Ik hoorde 't wel hoe zij, die voorbij stormden, me riepen en hoonden, en mijn naam uitschreeuwden!"

Maar wat Gertrud aangaat, zij dacht alleen: „Nu weet ik, dat ik niet gescheiden van Ingmar leven kan, maar altijd bij hem zijn moet, om de rust, die van hem uitgaat."

Zoo langzamerhand brak de dag aan; 't zwakke morgenlicht drong in de kamer en bescheen al die bleeke gezichten.

Nu en dan hoorde men een vogel zingen. De koe van Sterke Ingmar loeide van honger. Zijn kat, die in de nachten, dat er gedanst werd, nooit in de kamer sliep, miauwde buiten de deur.

Maar niemand bewoog zich voor de zon opging van achter de oostelijke bergen. Toen sloop de een na den ander weg, zonder een woord te spreken of van iemand afscheid te nemen. Buiten de deur vonden zij, die heengingen, al de sporen van verwoesting. Een groote den, die vlak bij de deur gestaan had, was aan den wortel afgebroken en gevallen; takken en hekkepalen lagen over 't veld verstrooid, een paar vleermuizen en uilen waren tegen de muren verpletterd.

Tot heel naar den top van den Klackberg zagen ze een breede streek, waar alle boomen omgeworpen waren.

Niemand durfde er lang naar kijken; allen haastten zich naar het dorp.

Maar terwijl ze op weg waren, werd de morgen wakker om hen heen. 't Was Zondag en de menschen stonden laat op. Toch waren er al enkelen buiten om het vee te voeren. Uit een huis kwam een oude man met zijn kerkkleeren, die hij klopte en borstelde. Uit een ander kwamen vader, moeder en een kind, netjes gekleed; zij moesten zeker op visite in de naburige gemeente.

't Was een groote troost, die menschen zoo kalm te zien, zoo onbewust van dat vreesdij ke, dat dien nacht in 't bosch gebeurd was.

Eindelijk stonden ze brj de beek, waar de huizen dichter bijeen stonden en kwamen ze zelf aan de kerkbuurt. Ze vonden 't

80

Sluiten