Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heerlijk de kerk en alles daaromheen te zien. 't Was een groote troost, dat alles hier nog was als vroeger. Het uithangbord van den winkel knarste zooals gewoonlijk, 't Postkantoor op den hoek stond nog op zijn plaats, en de hond van den herbergier sliep als altijd buiten zijn hok.

't Was ook een troost de kleine meidoornstruik te zien, die was uitgeloopen, sinds zij er 't laatst voorbijkwamen, en de groene banken, die gisteravond laat in den tuin van den proost moesten zijn neergezet.

Dit alles was onbeschrijfelijk kalmeerend. Maar toch waagde niemand te spreken, voor hij thuis was.

Toen Gertrud op de stoep van 't schoolgebouw stond, zei ze tegen Ingmar:

„Nu, Ingmar, ik heb voor 't laatst gedanst."

„Ja, ik ook," antwoordde Ingmar.

„En Ingmar," ging ze voort, „nietwaar, nu zul je dominee worden; of als je dat niet kunt, tenminste schoolmeester? — Er is zooveel slechts en duisters om te bestrijden."

Ingmar bleef Gertrud lang aanzien. Toen vroeg hij: „Gertrud! wat hebben die stemmen gisteren tegen je gezegd?

„Ze zeiden, dat ik in het net der zonde gevallen was en dat de duivels me grijpen zouden, omdat ik het zoo prettig vond te dansen."

„Nu zal ik zeggen, wat ik gehoord heb," zei Ingmar. ,,'t Was me, alsof de oude Ingmarsens me hoonden en vloekten, omdat ik iets anders dan een boer wou zijn, en met iets anders werken dan met bosschen en akkers."

Jeruzalem. 6

81

Sluiten