Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HELLGUM.

Dien nacht, toen de jongelui bij Sterke Ingmar dansten, was Halfvor uit en Karin Ingmarsen lag alleen in de kleine kamer. Midden in den nacht had ze een vreeselijken droom. Ze droomde, dat Eljas leefde en een groot drinkgelag hield. Ze hoorde hem in de groote kamer, hij rammelde met glazen, lachte ruw en luid, en zong drinkliederen.

Ze vond, dat hij en zijn kameraden steeds erger huishielden, en eindelijk klonk het, alsof ze banken en tafels stuksloegen. Daardoor schrikte ze zóó, dat ze wakker werd.

Maar hoewel ze wakker was, bleef het geraas om haar heen voortduren, 't Veld trilde, de vensters rammelden, dakpannen vlogen van 't dak, de oude pereboom bij den gevel zweepte 't huis met zijn stijve takken.

't Was alsof de jongste dag zou aanbreken.

Juist toen 't onweer op 't hevigst raasde, sprong een ruit en de glasscherven vlogen rinkelend op den grond. Een felle windvlaag stoof huilend de kamer in, en Karin hoorde vlak aan haar oor denzelfden schaterlach, dien ze zoo pas in den droom had gehoord.

Karin meende, dat ze sterven zou. Zoo ontzettend was ze nog nooit geschrokken. Haar hart stond stil en heel haar lichaam werd doöd en stijf als ijs.

't Onweer nam snel af en Karin kwam weer bij. De koude nachtlucht woei de kamer in, en na een poosje besloot ze op te staan en 't gat in 't venster dicht te stoppen. Maar toen ze uit het bed stapte, bogen zich de knieën onder haar, en ze voelde dat ze niet loopen kon.

Karin riep niet om hulp, maar ging weer stil liggen.

„Ik zal wel weer kunnen loopen, als ik weer tot rust gekomen ben," dacht ze. Na een poos probeerde zij 't weer, maar beide beenen waren volslagen krachteloos en zij had geen macht over hen. Ze kon niet staan, maar bleef liggen in 't bed.

82

Sluiten