Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Brita klom langzaam de trap af. De man zei niets, maar trok zich in den winkel terug. Brita volgde hem langzaam. Ze had hem vroeger nooit gezien. Hij had zwart krullend haar, een dichten ringbaard, scherpe oogen en groote, gespierde handen. Hij was goed gekleed, maar hij liep en bewoog zich als een arbeider. Hij ging op een ouden stoel bij de deur zitten en wendde de oogen niet van Brita af.

De boerin, die achter de toonbank stond, vroeg niets, en wenschte alleen, dat hij heen zou gaan. De man bleef haar aldoor aanzien en liet haar geen seconde met zijn oogen los. Brita voelde 't alsof zijn oogen haar zóó vasthielden, dat ze zich niet bewegen kon.

Brita werd ongeduldig; ze zei in zich zelf: „Ik zou wel eens willen weten, wat je nu meent, dat het je helpen zal, dat je daar op me zit te passen. Je begrijpt wel, dat ik toch doe wat ik wil zoodra ik alleen ben."

Brita stond zwijgend tegen den man te praten: „Als het nu iets was, dat voorbij kon gaan of beter worden, dan kon je 't wel verhinderen, maar er is niets aan te doen."

Aldoor zat de man stil en hardnekkig naar haar te kijken.

„Ik zal je wat, zeggen, 't Past niet voor ons, Ingmarsens, een winkel te houden," ging Brita in gedachten voort. „Je kunt je niet voorstellen hoe goed ik het met Gunnar had, tot hij met handelen begon. De menschen hebben me wel gewaarschuwd niet met hem te trouwen. Ze hielden niet van hem om zijn zwarte haren, zijn doordringende oogen en zijn scherpe tong. Maar wij hielden van elkaar, zie je, en nooit hebben we een onvriendelijk woord tegen elkaar gezegd, voor Gunnar den winkel overnam."

„Eerst na dien tijd," ging Brita met haar zwijgende verdediging voort, „is 't niet goed tusschen ons geweest. Ik wil, dat hij handel zal drijven op mijn manier. Ik kan niet verdragen, dat hij bier of wijn aan dronkaards verkoopt, en ik vind, dat hij de menschen alleen moet laten koopen wat nuttig en noodig is, maar dat is onzinnig zegt Gunnar. En we kunnen niet toegeven, hij niet en ik niet, en nu twisten we altijd, en nu houdt hij niet meer van me, zie je."

Zij zag den man met verwilderde oogen aan, alsof ze verwonderd was, dat hij aan haar smeeken geen gehoor gaf.

„Maar je kunt wel begrijpen, dat ik niet kan leven onder de schande, dat hij den deurwaarder verkooping laat houden bij arme menschen, of hun een eenige koe of een paar magere schapen afneemt.

't Kan nooit weer goed worden, begrijp je dat niet? Waarom ga je niet heen, dan kan ik er een eind aan maken."

Maar terwijl de man Brita aankeek, werd ze al rustiger en ein-

87

Sluiten