Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voort: „Je weet immers wel, Halfvor, dat hij, die iets groots wil doen, zich bij andere menschen aansluit en hulp van hen aanneemt. Je zoudt toch alleen de hoeve niet in orde kunnen houden. En als je een mijn wilde ontginnen, dan moést je veel aandeelhouders zoeken, en denk eens — als je een spoorlijn wilde aanleggen, van hoevelen moest je dan wel hulp aannemen!

Maar zie, 't moeilijkst van alles is een christelijk leven te leiden. En dat wil je alleen doen, zonder hulp. Of misschien probeer je 't niet eens, omdat je wel weet, dat het toch niet gaat.

De eenigen, die op den goeden weg zijn, ben ik en zij, die 't met mij eens zijn in Chicago. Die gemeente is het ware, heilige Jeruzalem, dat uit den hemel neergedaald is. En je kunt dat hieraan weten, dat de gave des Geestes, die den eersten christenen geschonken werd, ook op ons is neergedaald. Want sommigen onder ons hooren Gods stem, anderen profeteeren, weer anderen genezen zieken..."

„Kun je zieken genezen?" vroeg Halfvor snel.

„Ja," zei Hellgum, „ik kan hen genezen, die in mij gelooven."

,,'t Is zoo moeilijk wat anders te gelooven dan wat men als kind geleerd heeft," zei Halfvor nadenkend.

„Ik weet toch zeker, Halfvor, dat je me heel gauw zult helpen het nieuwe Jeruzalem op te bouwen," zei Hellgum.

't Werd nu stil. Kort daarna hoorde Karin, dat Hellgum afscheid nam.

Een poos later kwam Halfvor bij Karin. Toen hij haar bij 't open venster zag zitten, zei hij: „Je hebt zeker wel gehoord, wat Hellgum zei?"

„Ja," antwoordde zijn vrouw.

„Hoorde je, dat hij zei, dat hij zieken kon genezen, die in hem geloofden?"

Karin kleurde een beetje. Ze vond Hellgums leer beter dan al wat zij dezen zomer gehoord had. Er was iets gezonds, iets practisch en verstandigs in, wat haar aantrok. Dit was handeling, werk en geen gevoelsquaestie, waar ze geen begrip van had. Maar dat wilde ze niet erkennen. Ze wilde nu niets meer met predikanten te maken hebben.

„Ik wil geen ander geloof hebben dan Vader had," zei ze.

Een paar weken later zat Karin weer in de groote kamer. Nu was 't herfst geworden, de wind bruiste om het huis en 't vuur knetterde in den haard. Niemand was in 't vertrek dan haar dochtertje, nog geen jaar oud, dat juist had leeren loopen; 't kind zat op den grond aan moeders voeten te spelen.

Terwijl Karin daar zat, ging de deur open en een lange, donkere man kwam binnen. Hij had kroeshaar, scherpe oogen en groote gespierde smidshanden. Voor nog Karin hem een woord had hoo-

92

Sluiten