Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren zeggen, giste ze, dat hij Hellgum was.

De man groette en vroeg naar Halfvor. De boerin antwoordde, dat haar man naar de kerkeraadsvergadering was. Hij zou wel gauw thuis komen.

Hellgum ging zitten. Hy zweeg. Nu en dan wierp hij een haastigen blik op Karin.

„Ik heb gehoord dat u ziek zyt," sprak hy na een poos.

„Ja," antwoordde Karin. „Ik heb al sinds een half jaar niet kunnen loopen."

„Ik heb er over gedacht om hier te komen en voor u te bidden," zei de predikant.

Karin zweeg, sloeg de oogen neer, en 't was alsof ze zich sloot voor de buitenwereld.

„Misschien hebt u gehoord, dat ik van God de genadegift ontvangen heb om zieken te genezen, Moeder Karin."

Karin sloeg de oogen op en zag hem wantrouwend aan.

„Ik dank u, dat u aan my gedacht hebt, maar 't zal niet veel helpen, want ik verander niet zoo gemakkelijk van geloof," zei ze.

,,'t Is toch wel mogelijk, dat God u toch helpen wil," antwoordde de man, „omdat u altijd uw best gedaan hebt om een rechtvaardig leven te leiden."

„Ik heb niet zooveel deel aan Gods genade, dat Hy mij helpen wil."

Nu bleef het een poos stil in de kamer. Toen vroeg Hellgum: „Moeder Karin hebt u ooit gevraagd waarom deze bezoeking over u gekomen is?"

Karin antwoordde niet. Weer scheen zy zich geheel in zich zelf op te sluiten.

„Er is iets, dat mij zegt, dat God het deed, opdat Zijn naam meer geëerd zou worden," zei Hellgum.

Toen Karin dit hoorde, werd ze boos. Een paar scherpe roode vlekken werden op haar wangen zichtbaar, 't Scheen haar al te vermetel van Hellgum, te gelooven, dat deze ziekte over haar gekomen was om hem «in de gelegenheid te stellen een wonder te doen.

De predikant stond op, ging naar Karin en legde de hand op haar hoofd.

„Wilt u, dat ik voor u bidden zal?" vroeg hij.

Op 't zelfde oogenblik voelde Karin een stroom van leven en welbehagen door haar geheele lichaam gaan, maar ze was zóó gekwetst door zijn vermetelheid, dat ze heftig zijn hand afschudde, en den arm ophief als om hem te slaan. Ze kon zoo gauw geen woorden vinden.

„Men moet niet afwijzen wat God zendt," zei hy.

93

Sluiten