Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeldzame pracht. Alles was zoo geel en wonderlijk glinsterend, dat men onwillekeurig aan een landschap op de zon dacht.

Maar toen Hellgum dit zag, dacht hij er aan, dat de tijd nu spoedig zou aanbreken, dat God dit land zou doen stralen van heiligheid, en dat de woorden, die hij in den zomer had uitgezaaid, een lichtenden oogst van rechtvaardigheid zouden geven.

En zie, op een avond kwam Tims Halfvor naar 't kleine huisje en noodigde Hellgum en zijn vrouw uit om op Ingmarshoeve te kpmen.

Toen ze op de groote binnenplaats van de hoeve kwamen, was 't daar buitengewoon netjes. Alle dorre bladen onder de berken waren weggeveegd, alle werktuigen en wagens, die anders op de plaats stonden, waren opgeruimd. „Er zijn zeker meer gasten," dacht Anna Lize.

Op 't zelfde oogenblik deed Halfvor de deur van de groote kamer open.

Daar binnen was 't vol menschen. Allen zaten plechtig en in afwachting op de lange banken langs de wanden van 't vertrek. En Heli gum herkende al de aanzienlijksten van de gemeente.

De eersten, die ze zagen, waren Ljung Björn Olofson en zijn vrouw, Marta Ingmarsdochter, Kolas Gunnar en z'n vrouw. Toen herkenden ze Krister Larsson en Israël Tomasson met hun vrouwen. Ze hoorden tot de Ingmarsfamilie. Ze merkten nog Hök Matts Erikson en zijn zoon Gabriël op. Ook Gunhild en enkele anderen. Te zamen waren er een twintig personen.

Toen Hellgum en Anna Lize rondgegaan waren en allen de hand gereikt hadden, zei Tims Halfvor: „Hier zijn enkelen bij elkaar, die nagedacht hebben over wat Hellgum ons dezen zomer gezegd heeft. De meesten van ons hooren tot een oud geslacht, dat altijd gaarne Gods wegen heeft willen gaan, en als Hellgum ons daarmee helpen kan, zullen wij hem volgen."

Den volgenden dag ging het gerucht door de gemeente, dat er op Ingmarshoeve een vereeniging gesticht was, die beweerde het eenige echte en ware Christendom te bezitten.

95

Sluiten