Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat al die anderen kinderen des duivels genoemd worden en niet mee mogen doen. Maar dat vind jij natuurlijk niet."

't Verveelde Ingmar den ouden man zooveel kwaad van Hellgum te hooren zeggen.

„Zoo vredig als 't vroeger hier in de gemeente was!" zei Sterke Ingmar. „Maar nu is 't voorbij. In Groote Ingmars tijd was hier een eenheid zoo groot, dat men algemeen zei, dat hier de meest trouwe vrienden onder de menschen van 't dal woonden. Maar nu staan hier de engelen tegenover de duivels, en schapen tegenover de bokken."

„Als wij nu de zagerij maar aan den gang konden krijgen," dacht Ingmar, „dan was ik van dit gepraat af."

,,'t Duurt zeker niet lang voor 't ook tusschen ons uit is," ging Sterke Ingmar voort. „Als je tot die anderen overgaat, zullen ze je wel niet meer toestaan met mij om te gaan."

Ingmar vloekte en stond op. „Ja, als je doorgaat met zoo te praten, kan het wel gebeuren, dat het zoo gaat," zei hij. „Mij dunkt, je moest toch begrijpen dat 't niet past dat je mij opzet tegen mijn familie en tegen Hellgum, die de beste man is, dien ik ooit ontmoette."

Hiermee bracht Ingmar den ouden man tot zwijgen.

Na een poos ging Sterke Ingmar van het werk weg. Hij wilde naar de kerkbuurt gaan om zijn vriend, korporaal Fait, op te zoeken. Hij had in lang geen verstandig mensch gesproken, zei hy.

Ingmar was blij, dat hij wegging, 't Is zeker altijd zoo: als men lang weg is geweest, wil men niets onaangenaams hooren, maar wenscht alleen, dat alles mooi en lief en prettig wezen zal.

Den volgenden dag kwam Ingmar om vijf uur 's morgens al aan de zagerij. Sterke Ingmar was hem al voor geweest.

„Vandaag zul je Hellgum ontmoeten," zei hij. „Hij en Anna Lize kwamen gisteravond laat terug. Ik geloof, dat ze zich gehaast hebben thuis te komen van 't groote feest, om jou te bekeeren."

„Begin je nu weer?" vroeg Ingmar. — Wat de oude man had gezegd, had hem den heelen nacht in de ooren geklonken. Hy kon niet laten er over te denken, wie gelijk had. Maar nu wilde hij geen kwaad meer van zijn familie hooren.

Sterke Ingmar zweeg een poos; toen begon hij in zich zelf te lachen.

„Waar lach je nu om?" vroeg Ingmar. Hij zou juist de schut plank uittrekken om de zagerij aan de gang te brengen. „Ach, 't is maar om Gertrud van den schoolmeester." „Wat is er met haar?"

„Nu, ze zeggen in 't dorp, dat zij de eenige was, die macht over Hellgum had."

„Wat heeft Gertrud met Hellgum te maken?"

99

Sluiten