Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakte alles weer goed."

Toen Sterke Ingmar had uitgesproken, zag Ingmar glimlachend op. „Gertrud is flink," zei hij, „en Hellgum is ook een kranige kerel, al is hij ook woest."

O zoo, neem je 't zoo op?" zei de oude. „Ik dacht, dat je verbaasd zou zijn, dat Hellgum zoo toegevend tegenover Gertrud was."

Hierop zweeg Ingmar.

Sterke Ingmar sprak ook niet meer, toen begon hrj opnieuw. „Er waren verscheidene menschen in de kerkbuurt, die naar je vroegen. Zij wilden weten hoe jij over dit alles^dacht." ,,'t Komt er niet veel op aan wat ik denk."

„Ik zal je eens wat zeggen," ging de oude man voort: „hier in de gemeente zijn ze gewend, dat iemand de leiding op zich neemt en voor de menschen zorgt. Maar nu is Groote Ingmar weg, en de schoolmeester heeft zijn macht verloren, en de dominee heeft nooit kracht gehad om te regeeren.^ Daarom volgen ze nu Hellgum, zoolang jij je er buiten houdt."

Ingmar liet moedeloos de armen vallen en zag er ongelukkig uit. „Maar ik weet immers niet wie gelijk heeft."

De menschen verwachten toch, dat jij ze van Hellgum bevrijden zult. Je kunt er op aan, dat we heel wat ellende misgeloopen zijn, doordat we niet thuis waren van den winter. En in het begin was 't nog het ergst, eer de menschen aan de bekeerziekte gewend waren en aan 't feit, dat ze duivels en helhonden genoemd werden. En 't ergst was zeker wel, dat de bekeerde kinderen ook begonnen te preeken."

„Begonnen de kinderen te preeken?" vroeg Ingmar ongeloovig.

„Ja, Hellgum had er met hen over gesproken, dat ze liever God moesten dienen in plaats van te spelen, en toen begonnen zij de groote menschen te bekeeren. Ze loerden op hen, en hepen ze na, en klampten ze aan, als ze langs den weg gingen. En dan klonk het hun om de ooren: „Zoudt ge den strijd met den duivel niet beginnen? Zult ge voortgaan in zonde te leven?

Ingmar verzette zich met alle kracht. Hij wilde niet gelooven wat Sterke Ingmar vertelde. | \

„Dat is nu zeker weer iets wat Fait je wijsgemaakt heeft, zei hrj.

„Ja, dat wilde ik je juist vertellen. Fait is ook al weg. O, als ik er aan denk, dat al die onzin van de Ingmarshoeve uitgaat, dan durf ik de menschen haast niet meer aanzien."

„Hebben ze Fait dan kwaad gedaan?" vroeg Ingmar.

„Ach, dat waren die kinderen; op een avond, dat ze niet anders te'doen hadden, kregen ze in hun hoofd dat ze Fait moesten gaan bekeeren. Je kunt wel begrijpen, dat ze gehoord hadden, dat Fait een groot zondaar was.

„Maar vroeger waren alle kinderen zoo bang voor Fait als

102

Sluiten