Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor een spook," zei Ingmar.

„Ja, ze waren ook bang; maar ze hadden zeker besloten een echte heldendaad te doen.

Zij kwamen bij Fait, toen hrj in zijn hut zat en pap kookte. Toen ze de deur opendeden en Fait daar zagen zitten met zijn borsteligen knevel, zijn gespleten neus, in 't vuur starend met zijn eene oog werden ze allemaal bang, en een paar van de kleinsten liepen ook weg. Maar tien of twaalf van hen kwamen binnen en vielen op de knieën op den vloer, om den ouden man heen en begonnen te zingen en te bidden."

„Maar joeg hy ze niet weg?" vroeg Ingmar.

„Had hy 't maar gedaan," zei Sterke Ingmar. „Ik begrijp niet wat hem bezielde. Hij had er zeker over zitten denken, de stumperd, dat hij zoo alleen en verlaten was op zijn ouden dag. En dan was 't ook misschien, omdat het kinderen waren. En toen hy al die ten hemel geslagen oogen zag vol tranen, kon hij ze niet weerstaan.

De kinderen verwachtten telkens, dat hij opstuiven zou en hen slaan. Ze zongen en baden, maar ze waren klaar om weg te vliegen, zoodra hij zich bewoog.

Toen dachten een paar van hen, dat Fait zijn gezicht wat vertrok. „Daar heb je 't al," dachten ze en stonden op om weg te loopen. Maar de oude knipte met de oogen, en er rolde een traan langs zijn wang.

Toen riepen de kinderen: „Halleluja!" en nu is Fait verloren, zooals ik je al zei. Hij doet niets ander dan naar de bidstonden loopen, vasten en bidden en Gods stem hooren."

„Ik kan niet inzien, dat dit zoo'n groot ongeluk is," zei Ingmar. „Fait was immers bezig zich dood te drinken."

„O, jij hebt zooveel vrienden, dat een meer of minder er niet op aankomt. Je zoudt zeker ook wel gewild hebben, dat de kinderen den schoolmeester bekeerd hadden."

„Maar je wilt me toch niet wijsmaken, dat die stumpers van kinderen zich aan Storm gewaagd hebben!" zei Ingmar. Hy was. een en al verbazing, 't Moest toch wel waar zijn, wat Sterke In gmar zei, dat de geheele gemeente ondersteboven gehaald was.

„O ja, dat hebben ze gedaan. Op een avond kwamen er een stuk of twintig in de school, waar Storm zijn boeken in orde zat te maken en begonnen voor hem te preeken."

„Wat deed Storm wel?" vroeg Ingmar en begon onwillekeurig te lachen.

„Hij was zoo verbluft in 't begin, dat hij niets kon doen of zeggen. Maar toevallig was Hellgum juist een oogenblik te voren in de keuken gekomen om Gertrud te spreken.

„Was Hellgum bij Gertrud?"

103

Sluiten