Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ingmar ging naar 't huis van Sterke Ingmar om Hellgum te ontmoeten; toen hij daar voor de deur stond, hoorde hij luid en heftig praten, 't Scheen, dat er gasten waren, en Ingmar keerde terug. Terwijl hy heenging, hoorde hij een man met een toornige stem zeggen:

„Wij zijn met ons drieën broers, en hebben een langen weg afgelegd om je tot verantwoording te roepen, John Hellgum, over onzen jongsten broer, die voor twee jaar naar Amerika reisde. Daar heeft hy zich bij de gemeente aangesloten, en dezer dagen kregen we bericht, dat hij krankzinnig geworden is door het tobben over je leer."

Ingmar haastte zich voort. Er waren zeker meer dan hij, die over Hellgum te klagen hadden en allen even hulpeloos waren.

Ingmar ging naar de zagerij. Sterke Ingmar had die aan den gang gebracht. Midden onder het geraas en geschuifel van de zaag en 't gebruis van den waterval, meende hij een schreeuw te hooren. Hij luisterde er toch niet verder naar. Hij had nergens ooren of oogen voor. Hij voelde niets dan zijn sterken haat tegen Hellgum. Hy' liep in zichzelf op te noemen alles, wat Hellgum hem ontroofd had; Gertrud en Karin en de zagerij en zyn thuis.

Nog eens meende hy een schreeuw te hooren. Toen kwam de gedachte bij hem op, dat er strijd gekomen kon zijn tusschen Hellgum en de vreemde mannen, ,,'t Zou geen zonde zyn, als ze hem lam of dood sloegen," dacht hy.

Toen hoorde hij luid om hulp roepen, en Ingmar sprong de helling op.

Hoe dichter hij bij 't huis kwam, hoe duidelijker hij Hellgums roepen om hulp hoorde, en toen hy bij het huis kwam, was het hem alsof de grond dreunde onder de vechtende mannen.

Ingmar deed altijd een deur heel zacht en voorzichtig open, en deze keer deed hy 't dubbel behoedzaam. Hy kwam heel verlegen binnenglijden. Daar stond Hellgum achter in de kamer tegen den muur geleund en verweerde zich met een korte bijl. De drie vreemden, die allen sterke, flinke mannen waren, vielen hem met stukken timmerhout aan, die ze als knuppels zwaaiden. Ze hadden geen geweer meegebracht. Men kon dus wel zien, dat hun doel enkel was Hellgum een flink pak slaag te geven; maar nu hij zich verweerde, was de moordlust in hen wakker geworden, en nu ging het om Hellgums leven.

Zij zagen nauwelijks naar Ingmar. Hij was immers maar een opgeschoten knaap, die binnengekomen was.

Een oogenblik stond Ingmar stil en zag toe. Hij had een gevoel als iemand, die droomt, en ziet wat hij 't liefste willen zou, zonder dat hij begrijpt, waar het vandaan komt. Nu en dan riep Hellgum om hulp.

109

Sluiten